03-08-11

Ram me dan!

ramedan, Wemmel, moslim“Ga nou toch slapen, dwaze kut!”  Vroeger had ik me nooit veel van haar aangetrokken. Ja, ik kwam haar wel eens tegen, hier of in een of ander zuiders land. Ik heb zelfs een paar keer van haar genoten en dat daarna zelfs heel even aan de grote klok gehangen. (Niet dat dat nodig was; iedereen zag het…) Maar ik heb me verder nooit met haar doen en laten bezig gehouden. Er zijn mensen die daar hun hobby of zelfs hun beroep van gemaakt hebben. Een paar hebben het zelfs tot televisiepersoonlijkheid geschopt door haar van naaldje tot draadje te bestuderen en analyseren. Maar ik dus niet. Tot voor kort kon ze me – bij wijze van spreken – aan mijn reet roesten. Maar nu niet meer. Af en toe moet ik me zelfs inhouden om haar niet boos toe te schreeuwen dat ze moet gaan slapen.

Tijdens de ramadan beheerst de zon het ritme van slapen en waken, eten en hongeren. En ik ben, gelet mijn recentelijk gewijzigde gezinssituatie, stap voor stap op weg naar een zeker connoisseurschap betreffende Mohammedaanse zaken. Er zit – ik zeg het uiteraard in alle bescheidenheid – zelfs een zeker martelaarschap aan mijn nieuwe relatie. Slaat, na jaren vruchteloos smachten, de vlam in de pan op het eind van de heerlijk zondige maand juli, word ik al meteen beloond met een maand vasten (hoofdzakelijk voor hem dan) en allerhande regeltjes en reglementen wat betreft de vleselijke geneugten, het naakt dan wel half gekleed door het huis lopen en waar je wanneer een klapzoen van welke vochtigheidsgraad mag toedienen. Zonder op een verdere detaillering vooruit te willen lopen, kan ik alvast dit zeggen: het is neig ingewikkeld. Het best kan je gewoon even proberen en gedurende enkele tellen de reactie afwachten. Na het krieken van de dag even een arm (niet die van jezelf!) langs je lippen en tong laten glijden? Mag niet! Zo dicht gaan liggen dat diezelfde arm vanzelf je lippen en tong raakt, mag dan weer wel. Zolang de zon aan het zwerk staat, moet je je tevreden stellen met een vluchtige zoen, een occasionele knijp in een voorbij wandelende bil of een petsje op een poep. Maar van zodra de zon ondergegaan is, zet de Islamitische wereld het op een hompen en pompen dat het een aard heeft. Enfin, ik maak een extrapolatie van wat te mijnent gebeurde toen de zon ook volgens de schriftgeleerden voldoende ver achter de einder verdwenen was om de kust veilig te verklaren voor alles wat het daglicht niet mag zien.

 “Hoe gaat dat er eigenlijk zo’n beetje aan toe?” vroeg ik aan een halve collega die al langer de Mohammedaanse professie was toegedaan. “Nou, ‘t komt eigenlijk neer op overdag fijf keer (hij is Rotterdammer) wasseuh en fijf keer biddeuh. En dan wachten tot het donker is en dan héél véél eteuh. En een beetje snel ook want je moet twee keer eteuh voor het weer licht wordt.”  Ik kreeg de ongemakkelijke indruk dat die hele ramadan eigenlijk een marketingvondst was van water- en elektriciteitsmaatschappijen om de consumptie ook in het ‘silly season’ hoog te houden. Op het moment dat christenmensen gaan slapen, slaat de moslimwereld aan het koken dat het een aard heeft. Niet zomaar een snel-klaar hap, maar heelder gastronomische maaltijden die urenlang staan te pruttelen en te sudderen, met voorgerechten en nagerechten en fruit en – als je echt afgeladen vol voor je uit zit te staren van dempigheid - nog een taartje en een schaal koekjes. Kous af? Niet helemaal, want daarna mag/moet je dus van bil. Je mag van de moslims zeggen wat je wilt, maar niet dat het doetjes zijn…

“Ga nou toch slapen, dwaze kut!” Ik had een beetje honger en vooral veel goesting. En ik ergerde me behoorlijk aan het feit dat de zon aan een slakkengangetje achter de kam verdween. De terminus a quo voor ons hele to do-lijstje was 22u.47, de terminus ad quem grofweg 03u., kwestie van op tijd weer fris gewassen en gekamd te zijn voor het allerprilste ochtendgloren. En dus moest zij am schnelsten slapengaan.

15:12 Gepost door Stof in Actualiteit, Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: ramedan, wemmel, moslim |  Facebook |

19-12-06

Uitdragerij Stof

"Zozo, het lijkt hier al wat minder op een uitdragerij", zei mijn baas daarnet goedkeurend. Ik heb van mijn laatste werkdag van 2006 nuttig gebruik gemaakt om mijn bureau een beetje presentabel te maken: alles is gedumpt in de kasten achter me en de deurtjes blijven merkwaardig genoeg dicht...

 

Tijdens het opruimen vond ik hier en daar aanzetten tot berichten voor mijn blog. Bijvoorbeeld deze:

 

Enkele gerenommeerde RTBF-journalisten hebben een ideetje: ze willen een ‘speciale nieuwsflash’ maken over de onafhankelijkheidsverklaring van Vlaanderen en de feitelijke splitsing van België. Ze weten een aantal politici (gerespecteerde politici en politiek rapalje) voor hun idee warm te maken en ze gaan aan de slag. Ze verzinnen een verhaal over een trein die aan de ‘landsgrens’ Vlaanderen staande gehouden wordt, over mensen die niet meer naar huis komen omdat de grensovergang Tervuren-bos gesloten blijkt, over de vorst die het land ontvlucht… Ze nemen reacties op van politieke commentatoren in binnen- en buitenland, ze melden dat de republiek Vlaanderen door de Verenigde Staten erkend zal worden… Nog tijdens de uitzending van de special stond de telefooncentrale van de RTBF roodgloeiend. Meer dan tweeduizend verontruste Franstaligen belden op, vaak met de tranen in de ogen en een krop in keel.

 

Ik denk niet dat over de uitzending en het daarbij horende incident het laatste woord al gezegd is. Een aantal politici reageerde al verontwaardigd, de RTBF-baas zal op het matje geroepen worden, morgen moeten de krantencommentatoren nog hun zegje doen en we zullen met zijn allen – u en ik tegader – verdoemd goed moeten opletten dat er niet feestelijk aan een essentieel aspect voorbij gefietst wordt: wat Franstaligen over Nederlandstaligen denken. Ik beschouw mezelf in die materie als een ervaringsdeskundige. Elke dag hoor ik over Vlamingen bizarre dingen beweren. Een voorbeeld? Waarom Vlaanderen zo welvarend is? Omdat ze al hun eten in water koken, tiens! Zo word je natuurlijk rap rijk. 

 

Domheid heeft geen moedertaal en geen geslacht. Veel beter dan onmiddellijk in het defensief te gaan – wie tegen domheid strijdt, is altijd verloren – kan je mensen even uithoren. Wat zijn ze verder nog van mening? Waar komen die meningen vandaan? Hoe worden ze gevoed? Door wie of wat worden ze bevestigd? Hoe spelen die meningen in de kaart van machtgroepen en welke agenda hebben zij? (Tip: dit soort systeemanalyse leidt soms tot interessante hypotheses. Probeer ze eens toe te passen op het Volkswagen-drama.)

 

Van aan de overzijde van de taalgrens bekeken, zijn Vlamingen racistische, fascistoïde en onverdraagzame, egoïstische en egocentrische separatisten, die tegelijk verwaand genoeg zijn om te denken dat ze alles alleen aan kunnen en hoerig genoeg om bondgenoten te zoeken in alle uithoeken van de wereld. Alle Vlamingen, - want in het communautaire discours is nauwelijks plaats voor nuances. Honderd of duizend Tom Barmannen kunnen niet verhinderen dat een overgrote meerderheid van de Franstaligen (nl. zij die geen regelmatige contacten hebben met Nederlandstaligen) dàt beeld hebben van De Doorsnee Vlaming: onverdraagzame vechtersbazen die België kapot willen maken en Wallonië terug naar de 19de eeuw willen katapulteren. Telkens de bo(no)bo’s van het Vlaams Belang zich roeren, wordt dat beeld versterkt.

 

Ik ga nu even veralgemeniseren en ik laat u, lieve lezer, hier buiten beschouwing. Je kan een Vlaming anno 2006 van veel beschuldigen, maar niet van overdreven verdraagzaamheid. Gelukkig leven we samen met een handvol niet-Vlamingen die nog veel minder verdraagzaam zijn dan wijzelf. Daardoor komen we er iets minder belabberd uit. Als drie doorgeslagen kwieten bij de ingang van een concertzaal staan te protesteren tegen de bandeloosheid van de muziek, roepen we “Kijk eens hoe onverdraagzaam zij zijn!” Als een droge pruim een actie onderneemt tegen het storende lawaai van spelende kinderen, zeggen we niks. Als VW-werknemers een oprotpremie van 50.000, 100.000 of 140.000 euro krijgen, vinden we dat zwaar overdreven. Wanneer we zelf bij de eerste 1.500 spontane vertrekkers zouden zijn, zie ik niet direct iemand zeggen “Ach, doe mij maar de helft.” De Vlaming heeft er heel veel moeite mee om iemand anders het licht in de ogen te gunnen. Elke dag drukt Het Laagste Nieuws meerdere redactionele pagina’s af die deze bewering staven.

 

Zijn Vlamingen separatisten? Dat zou mij heel erg verwonderen. Er loopt in Vlaanderen een handjevol oproerkraaiers rond, maar het gros van de Vlamingen zien een Vlaamse republiek niet zitten wegens duur, onpraktisch en ingewikkeld. Zelfs als zit-kaa-haa Prins Laurent heel zijn villa zou volstouwen met kookfornuizen van Atag en wasmachines van Miele zijn we nog altijd goedkoper af dan wanneer we morgen moeten beginnen met een republiek. Vlamingen zijn, denk ik, veel meer opportunisten dan separatisten. En dat vinden een aantal Franstaligen ambetant. Ze zien het gemak waarmee wij ons over de aardkloot bewegen en ons uitdrukken in een soort Frans, een soort Engels, een soort Spaans, een soort Duits of een soort Italiaans en dat steekt een beetje.

 

Mijn betoog is nog niet af, maar als ik het alvast hier zet, kan het straks niet meer zoek geraken. Hoop ik....

 

 

16:50 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (7) | Email dit | Tags: franstaligen, wemmel |  Facebook |

28-11-06

Zet u!

red_chair1Neen, het gaat niet over mij deze keer. Scherper nog, het gaat onrechtstreeks over u, - in de mate dat u ofwel ambtenaar bent bij de federale overheid ofwel een crimineel die enig gewicht in de schaal legt. Ofwel een combinatie van beide natuurlijk, wat hinderlijk genoeg nog al eens voorkomt de jongste tijd. Om een beetje concreter te zijn: in het eerste geval vleit u voortaan uw edele zitvlak neder op een bureaustoel van Wemmelse signatuur; in het tweede geval hoeft u voortaan bij een langdurig verhoor door de Federale Politie niet langer op een ongemakkelijke buisstoel van Perfecta, maar kunt u zich in alle comfort installeren in een behaaglijke bezoekersstoel die daar niet zou gestaan hebben indien Wemmel niet bestond.

 

Straffe kost, zegt u?  Ik zal u nog meer vertellen: 4.000 bureaustoelen gaan er in Wemmel de deur uit en 3.500 bezoekers- en vergaderstoelen en daarbovenop nog eens 750 directiestoelen. Dat is zegge en schrijve achtduizend tweehonderd vijftig stuks zit meubilair van de bovenste plank. Geen stoeltjes van heb-ik-je-daar, maar hedendaags zitgebeuren waar een mens zowel ’s winters als ’s zomers met volle teugen van geniet. U zult het zien, u zult het voelen wanneer u zich ’s ochtends naar uw werk begeeft: hier zijn 60.000 ambtenaren fluks en welgemutst onderweg naar hun arbeidsomgeving. U zal het merken aan de voldane glimlach op de mond van de serieverkrachter die zonet opgebiecht heeft: de confrontatie met de ondervragers was bikkelhard, maar de stoel super comfortabel.

 

Ik ben weer trots op de parel van Vlaams-Brabant, het lieflijke Wemmel dat dankzij dit forse overheidscontract bijdraagt aan het ergonomisch comfort van de federale ambtenaar, het goed functioneren van ’s lands administraties, het evenwicht tussen yin en yang en werk en gezin van vele duizenden dienaren die elke dag van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de zoekende burger bijstaan met raad en daad. Ware Wemmel (en zijn stoelen) er niet geweest, dan waren wij nu wellicht geknecht en gekneveld door hardvochtige tirannen, onze have en goed ten prooi aan rabauwen en struikrovers, onze kinderen overgeleverd aan gewelddadig rapaille dat steevast aan de arm der wet ontsnapt (omdat ze bij de Federale Politie geen stoelen hebben om schurken aan een verhoor te onderwerpen). Wemmel is – en ik wik mijn woorden – een zegen voor dit koninkrijk.

 

Wat zou dat eigenlijk kosten, 8.250 stoelen? Krijg je daarvoor een volumekorting? En moet je ze zelf halen of komen ze die brengen? Ik zit met veel onopgeloste vragen en het is nog erger geworden door een nieuwsfeit dat deze morgen mijn aandacht kreeg. Het hof van beroep van Luik heeft een gewezen scholier veroordeeld tot het betalen van een boete van 125.000 euri omdat hij met een stoel naar een lerares gegooid heeft. De juf was zodanig van haar melk dat ze 3 jaar geen les heeft kunnen geven. Maar nergens kan je lezen wat er van die stoel geworden is. Is ie nog steeds in goeie staat of is ie tijdens het gooien stuk gegaan? En zo ja, is de kostprijs van een nieuwe stoel in die 125.000 euri begrepen of moet dat nog eens apart betaald worden bovenop die boete? En die kapotte stoel, staat die nog steeds in dat leslokaal in die school in Verviers of hebben ze die ondertussen naar het containerpark gebracht?

 

Het is herfst. De bladeren dwarrelen neer. De overbodige vragen ook.

11:59 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) | Email dit | Tags: wemmel, overheid |  Facebook |

24-10-06

Een indruk van drukte

lebalfroid“En op het werk?” Die vraag wordt me gemiddeld een viertal keer per dag gesteld en ik vind het nog altijd een linke vraag. Je moet heel goed luisteren hoe ze gesteld wordt en voor je antwoordt, moet je ook even stilstaan bij wie ze gesteld heeft. Gaat het om iemand met een authentieke interesse in jouw professionele activiteiten? Of moet de vraag “En op het werk?” het pad effenen voor een gesprek dat misschien niet eens over beroepsactiviteiten gaat.

 

Er zijn een paar dingen die ik thuis in kribbe en sibbe geleerd heb. Eén ervan is dat je de vraag “Hoe gaat het met je?” (op de gsm: Hoest?, in Wemmel: ça va?) steeds met “Prima!” of “Goed!” beantwoordt. De kelder mag onder water staan, de pannen van het dak gewaaid en de elektriciteit uitgevallen, maar de vraag “Hoe gaat het?” beantwoord je met “Prima!” Terwijl je ziet hoe drie Bulgaarse maffiosi er met je wagen vandoor gaan, rinkelt je gsm. “Ca va?” “Ja hoor! (Ik heb mijn gsm nog!)” Ik geloof niet dat ik de vraag “Hoe is het?” al één keer met “Slecht!” beantwoord heb. Dat mocht thuis niet, omdat dat tegen de commerce is.  Ik moet allang niet meer mijn brood verdienen met een bel die rinkelt, een deur die openzwaait en hongerige klanten die zich komen spijzen, maar ik kan het nog steeds niet.  Vorige week ben ik tijdens een ‘uitzonderlijke zending’ ietwat verstrooid tegen een laadklep aangelopen. Er ging een snoeiende pijn door mijn knie en het werd even zwart voor mijn ogen. Maar zeggen “Ai, het gààt niet!” kreeg ik niet over mijn lippen. Ik val nog liever…euh…dood.

 

“En op het werk?” De vraag bestaat in verschillende varianten. “En op het werk alles goed, zeker?” is de variant van iemand die het liefst over iets ànders dan werk wil praten. De kans is groot dat het over een loonslaaf net als jij gaat, die ook veel onbetaalde overuren presteert. De vraag wordt helemaal bij het begin van een gesprek gesteld, net nadat het eerste pilsje besteld werd. De bedoeling is niét dat je uitgebreid gaat vertellen hoe druk of hoe kalm het op je arbeidsplek is. De vraagsteller nodigt je uit om een gesprekspiste te openen. Je antwoordt dus: “Ja hoor. Zeg, wat heeft Lokeren eigenlijk gedaan tegen Germinal?” Of: “Prima. Trouwens, wat die frigiditeit van jouw vrouw betreft: dat valt reuze mee hoor. Heb ik gisteren aan den lijve ondervonden.” Middels de vraag “En op het werk alles goed, zeker?” legt de gesprekspartner de bal in jouw kamp en dat is altijd interessant. Je kan immers een onderwerp kiezen in functie van de tijd die je beschikbaar hebt, van 10 minuten over het traject van de Tour de France 2007 tot vier uur over de manier waarop Wittgenstein de taalsociologie beïnvloed heeft. Of anderhalf uur over goeie recepten voor spieringkoteletten, natuurlijk…

 

Een tweede variant van “En op het werk?” is de oelala-wij-komen-blijkbaar-van-ons-werk vraag. Het gebeurt mij wel eens dat ik in pak en das mijn stafcafé binnenkom. Ik heb geen zin om na een lange dagtaak eerst nog over huis te rijden om gauwgauw dat pak uit te spelen en iets rafeligers aan te trekken. Eén keer heb ik dat wel gedaan – op een verlaten parking langs de autosnelweg, of all places – maar toen wou ik niet naar mijn stamcafé eidoch het nachtleven induikelen. Mocht u het ooit willen proberen: van tenue veranderen in een wagen is een heel gedoe. En verlaten parkings zijn vaak veel minder verlaten dan je zo op het eerste gezicht zou denken.

Van de oelala-wij-komen-blijkbaar-van-ons-werk vraag ben ik de jongste tijd gespaard gebleven. Iedereen weet ondertussen dat ik in col & cravat niet wezenlijk anders ben dan in jeans en t-shirt. Sommige habitués blijven minder buiten schot en krijgen de vraag meerdere malen per avond voor de voeten geworpen. Zo heb ik een cafékennis die altijd binnenkomt met zijn werkbadge pontificaal op de buik geëtaleerd. Eigenlijk is dat type bedoeld om net boven het middenrif te hangen, maar omdat hij nogal klein uitgevallen is, hangt dat ding pal op zijn embonpoint, wat de badge een extra zichtbaarheid verleent. Daardoor lok je die oelala-vraag natuurlijk een beetje uit. Hij doet iets met computers bij een grote supranationale instelling. Het logo van die instelling staat op zijn badge en dat maakt indruk natuurlijk. Of het moet die al enkele jaren oude foto zijn.

 

Er is nog een derde variant van “En op het werk?”. De derde variant maakt deel uit van de vragenbatterij die op mij afgevuurd wordt wanneer ik mijn moeder bel. Op één of andere manier verwacht ze dat ik een Spannend Verhaal vertel over wat ik allemaal op mijn werk beleefd heb. Ik heb het nogal moeilijk om daar een spannend verhaal over te vertellen. “Ik heb een paar beurzen bezocht, ik heb daar wat artikelen over geschreven, ik heb wat foto’s gemaakt en ik ben nu bezig met die foto’s in een powerpoint te integreren voor een lezing begin november.” “Een watte point?” “Een soort diavoorstelling.” “Werken jullie nog met dia’s?” “Dat zijn geen echte dia’s hoor, het zijn een soort digitale dia’s!” “En dat doe jij allemaal zelf?” “Euh…ja!” Hoe vaker ik het verhaal herhaal, hoe minder spannend het wordt. Ik vermoed dat voor een bakker ook alle weken een beetje op elkaar lijken: de maandag gesloten, van dinsdag tot vrijdag brood en sandwiches, de zaterdag en de zondag brood, sandwiches en koeken.

 

“En op het werk?” Er was een tijd dat het bon ton was om te antwoorden “Druk-druk-druk!” Sommige mensen wisten van drukkigheid niet waar eerst gelopen. En als ze dan tussen alle drukte door eindelijk eens een half uurtje hadden weten te veroveren op hun agenda, kwamen ze in het café uitleggen hoe druk het dan wel was. Bij nader toezien bleek de drukte van veel druktemakers nogal mee te vallen. Heel vaak was het meer een indruk dan echte drukte. Het rijk van de yuppies is trouwens ineengestuikt als een kaartenhuisje. Iemand die vandaag nog “Druk-druk-druk!” durft te antwoorden, kan rekenen op meewarige blikken en zelfs op de boude suggestie “Probeer je dan wat beter te organiseren!”

Ikzelf krijg het vooral op mijn heupen van mensen die het zó druk hebben dat ze zelfs geen tijd hebben om op café hun autosleutels in de zak van hun jas te stoppen. Ze staan ermee te rinkelen en te tinkelen, een enkele keer leggen ze de sleutelbos enkele seconden op de toog, maar dan nemen ze hem snel weer op. Alsof iemand in het café elk moment een startschot kan geven. Toch blijven ze dik anderhalf uur hangen. En telkens wanneer ze een glas bestellen, gaat dat met “Mag ik nog snel een rondje, want ik moet er straks vandoor. En maak je in ’t rapste mijn rekening?” Het moet allemaal in een zelf opgelegd ijltempo.

 

Tien jaar geleden bestond het fenomeen stress op het werk. De laatste jaren is dat uitgebreid tot stress in het leven. De grootste bron van stress is niet langer het werk als zodanig, maar de combinatie werk-vrijetijd. Je zou denken dat wanneer de laatste kantoorminuut is weggetikt, dat het dan gedaan is met ‘moeten’. Niet dus! “Ik moet nog naar bancontact want vanavond moet ik naar de fitness en ik moet half acht terug zijn want mijn zoon moet van judo gehaald worden en om acht uur moeten we eten want anders missen we de Hondenfluisteraar!”  “Oké, ga maar snel naar de fitness!”

“Kunnen we daar zaterdagmiddag even over samen zitten?” “Neen, zaterdag wordt moeilijk. Vrijdagavond moeten we naar een trouwfeest, dus zaterdag zal ik waarschijnlijk niet voor 10 uur naar de markt kunnen gaan. En de zaterdagnamiddag moet Annelore naar de academie. Dus ik zal de wagen over de middag moeten wassen, want zondag moeten we de hele dag naar de Ardennen. Misschien lukt het binnen 2 weken wel.”

Er moet in de Vlaanderen in de vrije tijd heel wat geregeld en afgesproken worden, stel ik vast. En af en toe word ik daar een tikkeltje lastig van.

 

“En op het werk?”  Oktober en november zijn voor mijn branche wat juli en augustus zijn voor de touroperators: alle hens aan dek en roeien maar! Het leuke is dat die twee maanden voorbij zijn zonder dat je er erg in hebt. Een nadeel is dan weer dat er nauwelijks nog tijd is voor andere leuke dingen. Bloggen bijvoorbeeld. Daar heb ik zondagavond nog een opmerking over gekregen. Dat er niet veel meer bougeerde op mijn blog. En dat het puntje van mijn potlood waarschijnlijk afgebroken was en dat ik geen potloodslijper vond. Ach, ik kan hen geen ongelijk geven. De regelmaat is er een beetje uit. Maar ja, je weet hoe dat gaat. Druk-druk-druk…

10:53 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: werk, wemmel, cafe |  Facebook |

09-10-06

Stukje vergeten

DSC00642Je moet al van goeden huize zijn om mij ’s zondags voor half elf uit bed te krijgen. De zaterdagavond en –nacht breng ik normaliter in het zweet mijns aanschijns door, dus dan moet je op zondagmorgen niet met koffie en croissants komen aandraven. Een extra uurtje slaap is mij dan liever dan een ontbijtritueel.

 

Zondag 8 oktober was een uitzondering op de regel. Wegens kiesverplichtingen had ik een vrij weekend. En dat vrije weekend is vrijdag nogal liederlijk van start gegaan. Het gevolg was in elk geval dat ik me de hele zaterdag een tikkeltje pips gevoeld heb. Niet dat ik slecht gehumeurd was of anderszins ongenietbaar, maar aan het eind van de dag had ik toch het gevoel dat er heel veel langs me heen gegaan was.

 

Het nadeel van een vrij weekend is dat het een aantal van mijn routines door elkaar haspelt. Eén van die routines is: op zaterdag naar de kapper gaan. Naar de kapper gaan betekent bij mij: bij het scheren niet ophouden aan de bovengrens van de baardgroei, maar gewoon mijn hele schedel inzepen. En daarna afscheren ook uiteraard. Tabula rasa. Makkelijk zat. Ik moet daarvoor geen afspraak maken, ik hoef niet 45 minuten te zitten wachten in de damp van haarlakspuitbussen en droogkappen en die 20 euro kan ik uitgeven in mijn stamcafé lekker op mijn spaarboekje zetten. (Ik ga er nu even van uit dat een kappersbezoek 20 euro kost, maar eigenlijk heb ik er geen flauw idee van. Mijn laatste kappersbezoek dateert van 1994.) Het is – als ik het heel breed reken – tien minuten werk. Dat is inclusief het omspoelen van de wastafel.

 

Door algehele pipsheid en bezoek, had ik besloten het haarkappen te verplaatsen van zaterdagmorgen naar zondagmorgen. Het leek me een goed idee: glad geschoren van kin tot kruin mijn stem gaan uitbrengen. En zaterdagavond zag het er naar uit dat dat stemmen – en dus ook het daar aan voorafgaande scheren – extra vroeg zou gebeuren. Want wat wil het geval? Het geval wil dat ik op zaterdagavond in contact kwam met een andere West-Vlaming die in Wemmel probeert te overleven en bijgevolg af en toe aan een pilsje toe is. Hij spreekt de taal van mijn thuishonk en wanneer we elkaar ontmoeten zijn de “mô vint toch” en de “mô allègauw zech” niet uit de lucht. Rudy heeft een rugkwaal(tje) – “k’sukkele e bitje mè me ruhhe!” – en is ’s morgens bijgevolg steeds voor dag en dauw uit de veren. Hij vond dat wij op zondag samen naar het stembureau moesten gaan. Dat zou indruk maken, al die West-Vlamingen die in groep hun stem gaan uitbrengen. Hij vond het een goed idee om reeds rond 8 uur ter stemming te trekken, maar daar dacht ik helemaal anders over. Om 8 uur gaan stemmen zou betekenen dat ik om kwart voor zeven uit bed moest. En ik heb me eens laten vertellen dat dat strafbaar is op zondag.

 

Slechts na lang onderhandelen kon ik Rudy overtuigen om ‘pas’ om half tien onze burgerplicht te gaan vervullen. Dat gaf me de gelegenheid rond achten het bed uit te sukkelen, in alle rust een koffie of twee tot mij te nemen en daarna, enigszins gesterkt, mezelf met een driebladig scheermes te lijf te gaan. Het afpingelen van 08u.00 naar 09u.30 kostte mij ongeveer een pilsje per 15 minuten die de tegenstander prijs gaf. Wie graag lang slaapt moet daar iets voor over hebben…

 

Zondagmorgen stond ik om 08u.40 voor de badkamerspiegel, - een plek waar men mij normaal nooit ziet op zondagmorgen. Routineus liet ik het scheermes zijn werk doen. Om 09u.23 was ik helemaal klaar voor het uitbrengen van mijn stem en ongeveer op datzelfde ogenblik liet Rudy mij weten dat hij in aantocht was. Samen reden we vrolijk tetterend naar de sporthal, - een plek waar men mij normaal nooit ziet. Niet op zondag en niet in de week. We meldden ons aan bij de voorzitter en de bijzitters, maakten op drie vellen een bolletje rood en spoedden ons daarna naar Staaf teneinde te bekomen van emoties en de gedane arbeid.

 

Het was prachtig weer. Ik koos een plekje aan de toog waar de zon op mijn gladde bol en mijn rug scheen. De warme zonnestralen veroorzaakten een heerlijk, tintelend gevoel. “Droâid ekki were!”, vroeg Rudy. “Wuk eijjegie nu ip jun ôoft stoane?” Ik keek hem onbegrijpend aan. Ik had niks op mijn hoofd staan. Mijn petje lag in de wagen. De maagdelijk witte valhelm die ik vorige week tijdens een werfbezoek had gekregen ook. Onbewust streek ik met mijn linkerhand over mijn schedel. En toen voelde ik het plotseling. Haar! Een pluk haar! In al mijn ochtendlijke onbeholpenheid had ik een stukje van mijn schedel overgeslagen. Schandelijk over het hoofd gezien. En nu stond het daar moederziel alleen, linksachter op mijn hoofd. Het leek alsof een ietwat verstrooide kapper het Nike-logo had uitgespaard op mijn hoofd, maar dan ondersteboven. Ook merkwaardig: hoe langer Rudy naar mijn Swoosh keek, hoe langer hij werd. Ik probeerde aan de toog allerhande houdingen uit, in de hoop mijn ongewild ornament te kunnen verbergen en er toch behoorlijk casual uit te zien (voor een zondagmorgen).

 

“Zeg, Stoffels, waar kan je dat kopen, zo’n klein posticheke?” Ik was een moment onachtzaam geweest – mijn hand rustte nu rond een pilsglas -  en dat was voor Diederik voldoende om keihard toe te slaan. De hele toog barstte in een bulderende gelach uit. “Stoffels, ik heb gehoord dat je binnenkort een rap-plaat uitbrengt.” “Ah, Stoffels, ga je bij de Hare Krishna?” “Schoon, jong! Alleen spijtig dat er aan de rechterkant niks staat!” De klanten die geen commentaar leverden op mijn ongewilde coiffure, waren op één hand te tellen. Ik besloot mij over te geven en niet langer pogingen te doen om mijn haartechnische faux pas te camoufleren. Het was zondag, de zon scheen, de verkiezingsuitslagen waren nog niet bekend en ik stelde vast dat mijn rol als slecht gecoiffeerde pispaal mij regelmatig een gratis pintje opleverde.

 

“Ik moet dat eens meer doen, zo’n stukje vergeten”, dacht ik terwijl ik het lege glas in mijn hand ruilde voor een van de volle glazen die voor mij stonden.

 

12:25 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) | Email dit | Tags: wemmel, staaf, cafe, verkiezingen |  Facebook |

22-07-06

Zomerlandschap met zittend naakt

Het grootste gebouw in de straat waar ik woon, is een bejaardentehuis. Maar zelfs als je dat even buiten beschouwing laat, is de gemiddelde leeftijd in mijn straat nogal hoog. Meer nog: alles welbeschouwd, ben ik een groentje in mijn straat. De meeste bewoners hier zijn vijfitgers, zestigers en zeventigers. (Het gebouw waar ik in woon, is eigenlijk de grote uitzondering van de straat: het is een appartementsgebouw met 4 appartementen en zonder lift. Dat vormt een soort natuurlijke barrière. Ik woon op het dakappartement, onder mij woont een Roemeens koppel met een (lawaaiig) zoontje van 4, daaronder woont een bewust ongehuwde moeder, op de eerste verdieping woont een vrouw die van kindjes adopteren haar hobby gemaakt heeft.)

 

Ik woon in een ouwe-mekes-en-pekes-straat en daardoor heb ik weinig contact met mijn buren. Er is die ene dame die elke dag om 7u.30 haar twee hondjes uitlaat en die mijn ‘goeiemorgen’ wel eens met een ‘bonjour’ wil beantwoorden. Maar voor de rest ken ik geen namen, geen gezichten, geen adressen. Van mij weten zij vermoedelijk ook niet meer dan die mijnheer met het kleine autootje met het grote logo die altijd zo laat thuis komt en die elk weekend op vakantie is.

 

Hoe goed zien bejaarden eigenlijk nog?  Dat was de vraag die zich rond 10 uur vanmorgen bij mij opdrong. Sinds half negen is boven Wemmel een onweer aan het opbouwen. Ik kan dat makkelijk volgen: eerst begint het raam in de slaapkamer te klepperen, daarna gaan de gordijnen in de woonkamer gevaarlijk ver naar buiten wapperen. Ondertussen daalt de temperatuur in mijn appartement voetje voor voetje tot een min of meer aanvaardbaar niveau. Het is nog steeds puffen, maar het licht briesje dat door de kamers waait, maakt het allemaal wat draaglijker.

 

Enkele minuten voor tien vielen de eerste verlossende druppels. Ik zat aan de pc naar vuile wat te werken en plots kreeg ik een opwelling. Ik wou straks spiernaakt in die plensbui gaan staan, die heerlijke kouwe druppels op mijn voorhoofd voelen vallen, kleine beekjes fris regenwater over mijn rug voelen lopen, kijken hoe vette regendruppels openspatten op mijn billen en voelen hoe de tegels onder mijn voeten geleidelijk afkoelen door het water dat tussen de tegels en mijn voetzolen sijpelt.

 

Spiernaakt, allemaal goed en wel, maar wat met de buren aan de overkant? Het paterke in mij was wakker geschoten en stak zijn vermanende vingertje op. Ik heb een groot terras, maar er staat geen afsluiting rond. Geen rietkraagje of weelderige plantengroei die beschermt tegen nieuwsgierige blikken. De eerste omwalling van mijn burcht is het lichte gordijn aan de binnenkant, dat dag en nacht dicht is. Mijn terras is de esplanade, visueel toegankelijk voor iedereen. En met name visueel toegankelijk voor de oudjes aan de overkant van de straat, die op de verdiepingen 3, 4, 5, 6 en 7 achter hun gordijnen zitten te spieden.

 

Ik schatte de afstand in vogelvlucht tussen mijn terras en hun gordijnen op 40 tot 60 meter. Twee trottoirs, twee rijen parkeerplaatsen, twee rijbanen en een middenlaan van 5 meter breed. Wat zou een zeventiger nog scherp zien op 40 meter, overwoog ik. Ik had mijn t-shirt al uitgetrokken en was op zoek naar het paar waterbestendige slippers dat ik enkel in den vreemde durf dragen. Ik zou een terrasstoel in het midden van het terras tegen het raam positioneren om het laterale spektakel tot een minimum te beperken. En ik zou geen regendansje doen, maar gewoon wat op mijn stoel in de regen zitten mediteren, zo onzichtbaar mogelijk.

 

Het is uiteindelijk een compromis geworden. Ik heb de terrasstoel met zijn voorpoten net over de rail van schuifraam gezet om, naar binnen kijkend, te genieten van de plensbui op mijn rug. En ik heb mijn boxershort aangehouden, - want de oogchirurgie heeft ook niet stilgestaan de afgelopen 20 jaar!

11:05 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: wemmel, daily life |  Facebook |

18-07-06

(Zonder) vogel zonder kop

Af en toe doe ik iets behoorlijk roekeloos. Of liever: af en toe doe ik iets wat achteraf behoorlijk roekeloos blijkt te zijn. Gisteren zat ik, gevolg gevend aan het advies van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, bij Staaf voldoende vocht tot mij te nemen. Naast mij zat een Franstalige Wemmelaar van Italiaanse afkomst. De man is, met enkele jaren vertraging, aan zijn inburgeringstraject aan het werken en probeert af en toe enkele woorden Nederlands te gorgelen. Meestal tot mij gericht, omdat hij ervan uit gaat dat ik de gave des onderscheids heb en zonder al te grote aarzeling kan aangeven of een term Nederlands dan wel Vloms is.

 

“Mijn klok is traag”, zei hij terwijl hij naar zijn horloge keek.

“Je kan beter zeggen ‘Mijn horloge loopt wat achter’”, repliceerde ik.

“Oui, mais c’est quand même une montre, pas une horloge ! » verweerde hij zich.

Ik probeerde uit te leggen dat a) zijn Franse ‘montre’ in het Nederlands een (pols)horloge is; b) de term ‘uurwerk’ eigenlijk een purisme is en alleen gebruikt wordt om het mechanisme van grote klokken aan te duiden en c) alle andere tijdaanduiders in principe klok genoemd worden, - behalve de pendule. Hij keek me enigszins verbaasd aan.

 

Verderop in het gesprek kwam nog een taaleigenaardigheid aan het licht: blijkbaar noemen Franstaligen alles wat een (wand)klok is ‘coucou’, ook wanneer er niet om het uur een houten vogeltje naar buiten komt. Zelfs de staande klok van het type waar geitjes zich wel eens durven in verstoppen, is een ‘coucou’. Ook als ze het melodietje van de Big Ben imiteert. Bizar, maar ik moet de man enige autoriteit ter zake gunnen. En dus geef ik het hier voor waar mee.

 

Omdat het gisteren veel te warm was om te koken, besloot ik me een avondmaal bij elkaar te scharrelen in de vorm van een slaatje met groene boontjes en gekookte ham en een blinde vink van Iglo. Meer had ik niet nodig bij een temperatuur van 34°C; een snelle hap naast het toetsenbord en daarna gauw-gauw nog een paar tekstklusjes. Als het echt warm is en ik heb nog werk op de plank, is eten eerder een opgave dan een lust.

 

Iglo heeft (sinds kort?) informatieve teksten op de verpakkingen van hun diepvriesdingetjes. In mijn geval stond er op het pakje WAAROM een blinde vink zo heet. En dat die blinde vink in delen van Vlaanderen ook wel eens vogel zonder kop genoemd wordt. Reuze interessant allemaal en ik popel van ongeduld tot ik mijn volgende diepvrieshap koop. Ik ben heel erg benieuwd naar wat er op de verpakking van ballekens in tomatensaus staat. En op die van de fish sticks en de boeuf stroganov.

 

Op zich is het bijzonder goed nieuws dat ik bij de buurt-Turk nu ook spullen met een uitleg in het Nederlands kan kopen. Op het tablet in de badkamer staat een flesje tandenpoetsgel die voorzien is van een ‘abrefacìl’ en bijzonder makkelijk open en dicht gaat. Op de fles Sanex douchegel staat in het Grieks, het Roemeens, het Bulgaars, het Hongaars, het Turks en het Russisch hoe goed dat spul wel is voor je huid, maar niet in een taal die ik wél begrijp. Een pak keukenzout van Nezo – toch een Belgisch merk, dacht ik – spreekt een hele trits exotische talen die ik helaas niet machtig ben. (Ik moet altijd proéven.)

 

Iglo heeft als eerste de stap gezet. Nu kunnen de andere merken volgen. Komen we eindelijk te weten of dat beertje écht Robijn heet, waarom het mannetje van Omino Bianco zwart is en waarom Lays beter klinkt dan Samo chips.

 

12:01 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit | Tags: taal, eten, wemmel |  Facebook |