16-11-09

Kuifje in Vietnam - Deel 1: het dipje

Hanoi airport. Een niet te tellen aantal mensen – mensjes eigenlijk, want met mijn 184 cm ben ik hier een reus – loopt in alle richtingen. Voor de dranghekken die de gelande toeristen scheiden van de mensen die reizigers komen begroeten, verdringen vele tientallen Vietnamezen elkaar. Ze hebben velletjes A4 bij zich waar namen op geprint en geschreven staan. Ze proberen ze zo hoog mogelijk te houden en gaan op de topjes van hun teentjes staan om sneller opgemerkt te worden door de buitenlandse gasten die ze hier komen oppikken. Eén staat er wat beteuterd bij; zijn velletje papier was te kort om die hele lange naam op te krijgen. Dat wil zeggen: zijn opdrachtgeefster had niet allen mijn naam gekopieerd, maar ook wat er in het e-mail bericht aan vooraf ging: ‘coordinating trainer for this workshop: Sto’  Ik had een vermoeden dat hij mij stond op te wachten en stapte op hem af.

“Are you the driver apointed by Promocen?”

“Yes!”

“Hello, I am Stoffels, the coordinating trainer. Nice to meet you.”

“Yes!”

“So, you will bring me to the De Siloya hotel?”

“Yes!”

“Ok. Is it ok if we go outside and I smoke a cigarette first?”

“Yes?”

“I thought it would be very hot in Vietnam, but apparently it is drizzling…”

“Yes!”

“Is the hotel far away?”

“Yes!”

“How long will it take us to get there?”

“Yes!”

“Euhm… Is it like half an hour or more than an hour?”

“Yes!”

“What’is your name?”

“Yes!”

“I don’t believe you speak English. Vous parlez Français?”

“Yes!”

“Alors le centre de Hanoi, c’est loin?”

“Yes!”

“Ca nous prendra combien de temps?”

“Yes!”

“Zeg vint, ge moe da zegn hé, dajje van Izegem zijt. Of schiktje met min klootn te speeln vandoage?”

“Yes!”

“Gow, nonkle, goa moa zjère je karre goan hoaln, me zin hier ’t gat in!”

“Yes!”

Sinds Pakistan ben ik van niks meer bang, - tenzij dan van moeilijke communicatie. Wie haalt het in zijn hoofd om een chauffeur naar de luchthaven te sturen die geen gebenedijd woord Engels of Frans spreekt? Wat krijg ik morgen op mijn dak. Veertig cursisten die verwachten dat ik mijn workshop vlotjes in het Vietnamees geef? Gisteren heb ik een hele namiddag tobbend door de straten van Hanoi gelopen. Zonder sigaretten. Aan de kraampjes waar ze wel US dollars of Euro aanvaardden, hadden ze geen Marlboro rood. Aan de kraampjes waar ze Marlboro rood hadden, aanvaardden ze geen US dollars of Euro. Ik voelde me plompverloren in een veel te drukke stad, in een veel te grote wereld. Honderden, duizenden mensen (brom)fietsten me voorbij en er war er niet eentje die een taal sprak die ik verstond. Ik wou naar huis. Nu direct! Of terug naar Pakistan, - maakte niet uit.

 blog_hanoi

Vanmorgen bleek dat de soep nooit zo heet gegeten wordt als ze opgediend wordt. De pakweg 35 cursisten waren enthousiast, leergierig, een beetje giechelig soms, maar alles welbeschouwd prettig om mee te werken. Af en toe had de tolk verontrustend veel tijd nodig om een enkele zin te vertalen, het programma is meer dan een uur uitgelopen, de Vietnamezen misten hun middagdutje, het eeuwige getoeter op straat bracht me meer dan eens uit mijn concentratie, ik word op de vingers gekeken door een quality controler van de opdrachtgever, ik heb straks nog een paar uur werk om het programma van dag 2 aan de omstandigheden aan te passen, de onbeantwoorde e-mails stapelen zich op, maar ik klaag niet. Nooit ofte jamais. Het was een boeiende dag, in een oogwenk was hij om en morgenavond mag ik opnieuw diploma’s uitdelen. Hoera!

(En nu ga ik nog een beetje werken…)

12:55 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

13-11-09

Kuifje in Pakistan - Deel 5: Krabbie-krabbie

Allah is zo doof als een kwartel en de jute onderbroeken staan in promotie. Dat zijn mijn twee belangrijkste conclusies na een weekje Pakistan. Ik zou natuurlijk honderduit kunnen vertellen over de fantastische avonden met Snoezeke en zijn collega’s, die zich echt in alle mogelijke bochten wringen om een goed imago van hun land op te hangen. Soms is het op het gênante af: elke keer als ik mijn ‘cannassière’ wil vastnemen, sputtert er iemand voor mij om dat in mijn plaats te doen. Gisteren tijdens de lunchbreak ging ik op mijn duizenden gemakjes buiten een sigaret roken; ik wist niet dat binnen 30 mensen stonden te wachten tot ik mij als eerste aan het buffet zou bedienen. (Dat hebben ze ondertussen afgeleerd: ‘You eat chicken tika and drink Sprite, I smoke a sigaret outisde.’) De iuffrouwen aan de receptie, de liftboy, de garde aan de metaaldetector, de vegers en de dweilers…allemaal stellen ze elke keer opnieuw dezelfde vraag: ‘Good morning, sir. How are you doing, sir? Is everything to your looking? Need anything?’  Mijn college, een Hollander, is wat minder geduldig dan ikzelf; als we tijdens het eten meer dan twee keer worden gestoord met de vraag of we het lekker vinden, staat hij op, slat zijn arm rond de schouder van de ober en zegt: ‘No, I don’t like it. It is kut met peren. So why don’t you join us, you eat the kut and I eat the peren.’

Het is/was vandaag vrijdag de dertiende. Wat grappig. Onze chauffeur kwam niet opdagen en na een kwartiertje stopt er een auto met twee baardmansen. ‘Tiedèp?’  Ik herkende er de naam van onze counterpart in, gaf een teken aan mijn collega dat deze mannen ons naar het leslokaal zouden brengen en stapte in. De auto kreeg clearance aan de uitgang, maar vertrok in een totaal andere richting. Ik begon een beetje nerveus te worden en trok een bedenkelijk gezicht naar mijn collega. Waren we in de val gelopen. Zouden we weggevoerd worden naar een onbekende plek van waaruit vervolgens verschrikkelijk veel geld gevraagd zou worden om ons nog levend terug te zien? Wie zou zijn duit in het zakje doen? Zou er binnenkort een eetfestijn georganiseerd worden in een niet nader te noemen horeca-etablissement aan het Graffplein ten voordele van mijn vrijlating? En zo ja, wat zou er op het menu staan? En wie zou de kaarten in voorverkoop regelen. Ik was in gedachten al alle vragen aan het oplossen toen mijn collega mij een por in de lenden gaf. ‘We sitteuh weer choed hoor.’ (Mijn collega is een Hollander, maar dan van het goede soort dat dicht bij de Belgische grens woont.) Ik was nog steeds niet gerustgesteld; de afgelopen dagen werden we rondgereden door afwisselend proper volk en gladde kerels. En nu ineens door twee gevaarlijk uitziende baardmansen in soepjurken. Achteraf bleek dat er een klein ‘probleempje’ was: de Pakistaanse pompstations zijn gisteren in staking gegaan. ‘Tiedèp’ heeft de eerste de beste buur met een auto en een nog volle tank opgetrommeld om ons te komen oppikken. Prettig opgelost alweer.

Maar goed, ik zou het over Allah hebben, die volgens mij potdoof is. Dat Pakistan een islamitische republiek is, daar waren we ondertussen al achter gekomen: hotels waar een stom blikje bier in het grootste geheim naar je kamer gebracht wordt door een ober die wat meer wil verdienen dan zijn collega’s omdat hij in de schulden zit; dames die wel hun diploma in ontvangst nemen maar geen hand willen geven, een ontbijtbuffet met ei en kippenworstjes in plaats van spek…  Alleen de muhedin – of hoe heten die jongens die zo hoog van de toren blazen? – hadden we nog niet gehoord. Nou, die hebben vanavond hun achterstand flink ingehaald. Vriend M. komt niet verder dan ‘Allah akbar’, maar ik heb hun hele liedje gehoord. Inderdaad, hun, want ze zijn met zijn tweeën. De ene zingt tien minuten, daarna neemt een tweede over en daarna zingen ze samen nog een airke. Het is mooi en beangstigend tegelijk. Mooi omdat het tamelijk melodisch is. Beangstigend  omdat je tijdens hun optreden niks anders kan doen dan luisteren. En daar hou ik niet van. Zo hou je de mensen klein. Het is vrijdag? Even over half vier? Awel, nu ga jij eens naar mij luisteren, zie. Akkoord of niet akkoord, zelfs achter het dubbel glas van een hotelkamer. Luisteren zal je. (De de-islamisering van Pakistan stond op mijn to do-lijstje, maar ik vrees dat dat een werk van lange adem wordt. Ik vermoed dat ik nog eens zal moeten terugkomen.) Dit gezegd zijnde: Allah is zo doof als een kwartel. Overal ter wereld zijn miljoenen mensen die op hetzelfde moment hetzelfde vooiske zingen. Het wordt via luidsprekers de wereld in gestuurd, het gaat door merg en been. Maar hij hoort het blijkbaar niet.

Ten tweede: jute onderbroeken staan in promotie. De traditionele outfit van Pakistani bestaat uit een loszittende broek – een soort campingsmoking, maar dan met meer stijl – en een even los zittend lang overhemd dat ongeveer tot aan de knieën komt. Die spullen worden gemaakt uit zacht katoen, - ik weet het omdat ik er heb mogen aan voelen. Zacht en comfortabel, goed en wel, en toch loopt de helft van de Pakistaanse bevolking het grootste deel van de dag aan het kruis te krabben. De politieagent op een bangelijk druk kruispunt heeft in zijn linkerhand een walkie-talkie en een boekje om ‘amendes’ op te schrijven. Zijn rechterhand is vrij. En waar zit die rechterhand? Juist! Krabbie-krabbie. Door de hotellobby lopen voortdurend jongens met een megabrede borstel. Waar zit hun vrije hand? Juist! Krabbie-krabbie. Bij de ingang staat een veiligheidsagent met een pistool en een handscanner. Wat doet ie nog snel wanneer je de auto uit stapt en richting ingang wandelt? Inderdaad! Krabbie-krabbie. In het restaurant Bukhara speelt een kerel op een Yamaha-orgel waar hij de mooiste melodieën uit haalt. Om het half uur zet hij dat orgel even op automatische piloot. Om wat te doen? Twee slokken water drinken en even krabbie-krabbie. Overal waar ik kijk, zie ik krabbie-krabbie, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Bloemen water geven? Spuiten met die tuinslang en ondertussen lekker krabbie-krabbie met de vrije hand.

Iedereen heeft wel eens jeuk op de meest onverwachte plaatsen. Maar dit kan echt geen toeval meer zijn. Het ligt aan die goedkope jute onderbroeken van de Zeeman, zeg ik u. Of aan de specerijen. Ik zoek dat nog wel even uit…

 

22:38 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

12-11-09

Kuifje in Pakistan - Deel 4: Het Bordeel

“Naar Lahore…? Zozo…”  De assistant banqueting manager keek ons monsterend aan en krulde de toppen van zijn snor. “Helemaal naar Lahore…?” We voelden ons als twee snotapen die net door ome agent waren tegengehouden met een opgedreven brommertje. Waheed stond ongemakkelijk op zijn hielen te draaien. “Nou ja, jullie zijn natuurlijk ervaren mannen. Jullie kunnen wel wat hebben.” Die avond hebben mijn collega en ik ons op hamburgers gegooid, - alsof het ons laatste avondmaal was.

De volgende ochtend werden we opgewacht door het trio dat ons voor alle langere verplaatsingen begeleidt: een chauffeur, de protocol officer en mijnheer No Pictures, de veiligheidsman. Eerst reden we naar de kust voor een korte rondleiding door en een gastcollega aan de Hogeschool voor Architectuur en Textieldesign. We werden er onthaald door 300 studenten die allemaal whoopie waren over ons bezoek en allemaal met stof_schoolons op de foto wilden. Ik zag de tijd wegtikken en sloeg zelfs lichtelijk in paniek: we werden om 14u. op de luchthaven verwacht, dat zouden we nooit meer halen…

Om half drie stonden we in het portaal van de luchthaven. Probleem: we hebben geen tickets, alleen elektronische reservaties. En je hebt een ticket nodig om het luchthavengebouw binnen te geraken. Een loket van Pakistan Airways? Jazeker, aan de binnenkant van het gebouw, voorbij security check 1. Alternatieven? Op zoek gaan naar een pc met printer en internettoegang, bellen naar de reisagent dat hij de e-tickets mailt en ze vervolgens uitprinten. Niet haalbaar. Toen pas liet onze protocol officer zijn ware identiteit zien. Hij haalde een pasje boven en duwde het onder de neus van de militairen bij de ingang. De blokkade waaierde open en we konden met heel onze bazaar moeiteloos naar binnen. “Geef me jullie paspoorten, jullie bagage en ga daar maar koffie drinken”, zei Riaz van ’t protocol. Hij beende weg en kwam nog geen 5 minuten later met onze boarding passes. Alles was geregeld. Boarding zou om 15u.30 Stof_riazbeginnen, maar wij moesten maar om 16u. aan boord, via een speciale lift die enkel door crew en veiligheid gebruikt wordt. Vier dagen lang was een agent van staatsveiligheid met ons meegereisd zonder dat we in de gaten hadden wat zijn echte functie was.

 Lahore is een stadje met 10 miljoen inwoners. Ik schat dat zowat de helft daarvan zich verplaatst op een rode brommer van het merk Honda. Waar je ook rijdt, overal zie je voor en achter je, links en rechts rode brommers, de ene al wat roestiger dan de andere. Hier geldt geen voorrang van rechts, ook geen voorrang van links, maar voorrang van wie het rapste weg is. Meestal zijn dat de brommertjes, behalve toen we van de luchthaven naar het Pearl Continental Hotel reden. Toen bleef er een brommertje aan het achterste spatbord van onze auto hangen.  Dat vinden ze hier in Lahore niet erg. Meer nog, de motorrijder stond er een beetje bedremmeld bij. “Sorry, ik dacht dat ik al weg zou zijn toen jullie naar links af draaiden.” Ook de politie vond het niet erg. Het chassis van de brommer zag er een beetje verfomfaaid uit, maar met een hamertje en veel geduld zou het allemaal wel goed komen.

Het Pearl Continental is zoals alle goede hotels in Pakistan een versterkte burcht: drie hydraulische roadblocks, een weg die zigzagt tot aan de ingang, snuffelhonden, camionetten met mitrailletten, camera’s, snipers op het dak, scanners voor bagage en personen… Maarmeer nog dan in Kararchi doen ze hier hun best om, eenmaal binnen, de mensen helemaal op hun gemak te stellen. Valies zelf dragen? Geen sprake van! Handbagage zelf dragen? No way! En na drie seconden aan de balie stond ik al met een Ice-Tea in mijn handen. Terwijl de receptionist ons incheckte, overschouwden we de situatie: zeven restaurants en een patisserie, een lobby met live muziek, heel den tsjiek en den tsjak… Dik in orde, zag ik mijn collega denken. We gingen ervan uit dat we opnieuw via veel omwegen een blik voos bier zouden kunnen scoren voor op de kamer. Maar dat was buiten de waard gerekend. Op de kamer hing een bordje dat het STRENG VERBODEN was op de kamer alcohol te gebruiken. Daaronder hing een bordje met de mededeling dat buitenlandse gasten aan de receptie konden informeren naar ‘entertainment for foreigners’. Toen we dat deden, kregen we een soort visitekaartje in handen gestopt waarop te lezen stond dat we ons met ons paspoort konden aanmelden aan Lounge 242 op de tweede verdieping.

Aan de buitenzijde is Lounge 242 in niks te onderscheiden van de andere gastenkamers, behalve dan dat je de deur vanaf de buitenzijde kan openen zonder sleutel of kaart. Aan de binnenzijde doet Lounge 242 denken aan een bordeel uit de jaren zestig, - wat ik wel eens in een film gezien heb: velours behang, pompeuze velours zitbanken, fumé spiegels, gedimd licht. Maar ziet: lounge 242 heeft ongecensureerde versies van MTV en nog een trits andere zenders waar wel eens een stukkie functioneel bloot op te zien is. En vooral: Lounge 242 heeft een echte toog, waar je een blikje echt bier kan drinken.  En je mag er roken. Mijn collega en ik voelden er ons zo gelukkig als een kind in een snoepwinkel. Het is ondertussen een running gag geworden: gaan we eerst naar de hoeren en daarna eten of eerst eten en daarna pas na de hoeren?

Als u me nu even wilt verontschuldigen: de meiden van 242 wachten op ons.

16:01 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

10-11-09

Kuifje in Pakistan - deel 3: Snoezeke

Er zijn een paar dingen die je al doende leert: bijvoorbeeld dat de uitdrukking ‘nine o clock sharp’ in Europa heel wat anders betekent dan elders in de wereld. De cursisten hadden gisteren laten weten dat ze beginnen om 8u.30 wat vroeg vonden – de watjes ! – en dat het makkelijker zou zijn als we om 9 uur beginnen. De klant is koning en dus had ik deze morgen wel de tijd om een toast met een eitje te eten. Toen ik echter om kwart voor negen aan de meeting room aankwam, was er niet één cursist te bespeuren. Er was veel beweging van mensen die zich naar hun kantoor op de verdiepingen haastten, er waren mensen de bloemen aan het gieten en andere de patio aan het schoonvegen, de meneer van de koffie was er en de meneer van de LCD-projector, maar…geen deelnemers te bespeuren. Om negen uur druppelden de eerste binnen. Stille Zeeshan die altijd supergeconcentreerd aanwezig is, maar nooit een woord zegt, gevolgd door Imran die na elke koffiepauze met vlekken op zijn hemd terugkeert, met in zijn kielzog Mehnaz die geregeld voor animo zorgt met zijn grappige opmerkingen. En enkele minuten later druppelen de drie Muhammad’en binnen: de oudste een kranige zeventiger die het allemaal al eens meegemaakt heeft, maar toch nog alert en bij de les is; de middelste een veertiger die steeds piekfijn opgekleed is en een hoge post bekleed bij de exportpromotie; de jongste een rekel van 25 die de eerste keer was binnengestapt met een air van ‘Wat ga jij mij bijbrengen, manneke?’, maar die ondertussen omgeturnd is tot de meest leergierige van de bende.

Ik word een beetje nerveus omdat er nog maar zes van de 35 deelnemers zijn. Snoezeke heeft het in de gaten, komt naar me toe en legt zijn hand op mijn bovenarm: “You need not worry, mister Christofieee! In Pakistan it is always like this. They will show up.”  Snoezeke heeft zich de afgelopen week de benen van onder het lijf gelopen om ervoor te zorgen dat alles in optimale omstandigheden zou kunnen verlopen. Leeftijd? Moeilijk in te schatten, - ergens tussen de 25 en de 35. Geslacht? Mannelijk, zij het met enig voorbehoud. In Parijs voor modeontwerper gestudeerd, daarna een korte carrière als model, daarna naar dit land van veel moeten en weinig mogen teruggekeerd. Hannes met het harpje, zeg maar, maar dan in een turboversie. Telkens als ik dénk dat ik iets zou willen, is Snoezeke mij een stap voor. Een kop koffie, fotokopies, een asbakje in het ‘rookkamertje’ naast de meeting room, een geüpdate aanwezigheidslijst. Snoezeke rent al nog voor ik mijn zin afgemaakt heb. Van zodra ik ’s morgens de deur van mijn hotelkamer opentrek tot ik ze ’s avonds weer sluit. Onvermoeibaar en altijd met de glimlach…

blog_lesOm twintig na negen krijg ik een knipoog van mijn twee favoriete Muhamadden. De oudste en de jongste zitten recht tegenover elkaar en ze hebben er allebei zin in vandaag. Na de gebruikelijke samenvatting – Wat hebben we gisteren geleerd? Ten eerste… Ten tweede… En…ten derde… (met dank aan Piet Huyzentruyt, dus – krijgen ze meteen een oefening op hun foor. In normale omstandigheden geef ik elk duo twintig minuten de tijd, maar ik wil hen laten voelen dat het vooruit moet gaan; tien minuten dus. Oude Muhammad en jonge Muhammad vormen een duo en gaan aan het krasselen en zwoegen dat het een aard heeft. Ook elders in de meeting room wordt gezwoegd; je hoort de hersenradertjes spinnen en dat geeft me een kick. Ik zwier mijn jas in een hoek van de meeting room, mijn lesschema in een hoek van mijn geheugen, stroop mentaal de mouwen op en gooi de workshop in een hogere versnelling. Wie volgt? Alleman. Op eentje na, ook een Muhammad. Van het ministerie van buitenlandse handel. Stoppen of doorgaan? Ik taxeer de groep en beslis door te gaan. Nog drie slides met tekst, daarna volgen de foto’s. En daarna de filmpjes. Ik maak mijn collega duidelijk dat ik nu door wil gaan. Geen koffiepauze meer, niet meer overschakelen op een ander onderdeel. Hij knikt goedkeurend. Ik heb nog 10 minuten, dan is het echt gedaan, want buiten staat de lokale pers te wachten om wat foto’s te nemen.  Het is een vreemde vaststelling: dit schip vaart helemaal alleen. Het doet me denken aan de manier waarop mijn overgrootvader mij heeft leren fietsen: hij had een halve borstelsteel stevig vastgebonden aan het frame van mijn kinderfietsje. De zijdelingse steunwieltjes werden losgemaakt. Pitje hield de borstelstok stevig vast en voorzichtig reed ik de eerste meters zonder zijwieltjes, alleen rechtgehouden door zijn stevige hand. Daarna liet hij los, zonder dat ik het gemerkt had. En ik reed! Alleen! Vandaag was ik het die de stok vasthield. En ze hebben godverdomme gereden als Flandriens!

Ik ben trots op mijn bende!

16:19 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

09-11-09

Kuifje in Pakistan - deel 2

Het is maandagavond, even voor zessen en ik ben bekaf. De chauffeur keek raar op toen ik zei dat we hem vandaag niet meer nodig zouden hebben en dat hij wat ons betreft rustig naar huis kon rijden.  “But, Sahib, I have a list of things we have to visit. And we have to go to this restaurant…” “No, thanks, we have some work to do, so we rather eat in the hotel.” Dat zijn we ook van plan straks, maar eerst moeten we even het hoofd leeg maken. Halfweg de middag heeft mijn collega-trainer een pilletje genomen tegen de hoofdpijn. Ik ben op dit uur aan een pilsje toe, maar ik ben nog niet zeker dat dat lukt…

Gisteren hebben we op de meest onwaarschijnlijke plek gegeten: Lal Quila, een nagebouwd Punjabi paleis waar aan een gigantische buffet naar schatting 80 verschillende Aziatische en Chinese specialiteiten geserveerd worden. Onze counterpart had ‘een en ander geregeld’, van een koor dat aan onze tafel kwam zingen, over een vuurdans demonstratie tot het traditionele vierendelen van een taart voor de verjaardag van Prince Stof (geboren in juli) en Prince Marcel (geboren in april). Een glas wijn bij de gerechten behoorde evenwel niet tot de mogelijkheden. Ik begin overigens de smaak van plat water te pakken te krijgen…

Rond half elf reden we naar het hotel terug, voor de vierde keer volgens hetzelfde ritueel: voorbij sas 1, stoppen voor een opstekende metalen plaat, hond in de koffer, motordeksel open, via twee slagbomen naar een smalle weg tussen twee betonnen muren en zo achteruit tot aan de voordeur van het hotel. Eerder op de dag ha ik in de minibar, tussen twee blikken Fanta en sprite door, een blikje Bavaria zien blinken. Oké, ’t is geen Jupiler of Stella, maar alla… A la guerre comme à la guerre. Mijn teleurstelling was niet onaanzienlijk toen ik na de eerste slok proefde dat het ene blikje alcoholvrije Bavaria betrof. Bavaria is al erg, maar alcoholvrije Bavaria is nog vele keren erger. Geen wonder dat de Hollanders er een exportproduct van gemaakt hebben. 

Vandaag was de verjaardag van Iqbal, de nationale dichter, goed voor een betaalde feestdag. Toen we even voor achten in de training room aankwamen, was er nog geen levende ziel te bespeuren. Of liever:  geen Engelstalige levende ziel. Wel een handvol agenten en veiligheidspersoneel met mitrailleurs. Ze waren ongeloof rap wakker toen ze mijn collega en ik elk met een uitpuilende attachékoffer de trap zagen opkomen. Uit de gebaren en het geschreeuw kon ik opmaken dat we onze tassen neer moesten zetten en enkele trappen achteruit moesten gaan. Hoe lang we zo onder schot op de trap hebben gestaan, weet ik niet, maar het leek een eeuwigheid voor een hoge pief van de Trade Development Board de agenten duidelijk kon maken dat we braaf volk waren.

Ondanks de vrije dag liep de zaal vanaf 8u.30 vol met een wel zeer heterogeen gezelschap: studentes textielontwerp van amper 20 en een bedrijfsleider van eind de zeventig die hijgde alsof hij elk oment de geest kon laten, ietwat groezelige mannen met lange baarden in kallaba’s of jeftans of hoe die soepjurken ook mogen heten en knappe kerels in flashy kostuums, paper pushers van ministeries en andere overheidsinstanties en rasentrepreneurs die een paar jaar in Amerika of in Frankrijk hadden gestudeerd, marketing managers van handgenaaide spullen die alleen op de Louizalaan verkocht worden en sales managers die honderdduizenden witte t-shirts per maand verzetten…  Zo’n heterogene groep een volle dag al je aandacht geven vreet energie. Ze hebben honderden vragen en ze willen je het liefst hun hele (professionele) leven vertellen.

De counterpart had de grote middelen ingezet. Om veiligheidsredenen was de workshop – totaal onterecht – van het 5-sterren Marriott naar de Board Room van een overheidsorganisatie overgebracht. Het was niet makkelijk om aan alle onze technische vereisten te voldoen en dat probeerden ze met personeel te compenseren. Telkens ik een stap zette, bijvoorbeeld om op de flipover een velpapier om te draaien, sprong er een mannetje uit de coulissen om dat in mijn plaats te doen. Je zoekt een marker? Hup, daar springt het mannetje al naar het midden van de grote ovalen tafel om ze voor je te halen. Even naar buiten? Sputter-sputter, zegt het mannetje en hij houdt met een grote smile de deur voor je open. Ook voor de lunch break werden alle registers open getrokken. Normaal hebben de deelnemers keuze uit 2 voorgerechten en 2 hoofdgerechten, hier was je al een kwartier zoet met alleen maar een keuze maken uit alle dampende potten.

De Pakistani zijn boos. Boos op de media en boos op de mensen die uit de berichtgeving concluderen dat Pakistan één grote oorlogszone is. Telkens ik zeg dat ik die (over-)mediatisering begrijp maar dat dat me geen moment heeft doen twijfelen, zie je die grote bruine reeëogen opengaan.  ‘Vind je ons land oke?’ ‘Maar natuurlijk wel! Als je even de tijdelijke maatregelen wegdenkt, is dit toch een schitterend land!’ ‘Meen je dat echt?’ ‘Anders had ik het niet gezegd…’  Vervolgens willen ze je, in woorden maar veel liever nog lijfelijk, meenemen. Naar hun favoriete uitkijk over de zee, naar hun favoriete winkelstraat, naar hun favoriete restaurant, naar hun geboortehuis, naar hun fabriek… Het vraagt veel taaiheid om nee te zeggen en nee te blijven zeggen. Gelukkig kunnen we een sterk argument gebruiken: because of the security situation…

Op het einde van de eerste cursusdag is de minister van textielzaken een handje komen schudden. Morgen rond vijven komt hij terug, met nog meer ministers en staatssecretarissen en directeuren. En met de massaal opgetrommelde pers. Iedereen die twee dagen naar mijn gezeik heeft geluisterd, krijgt een diploma. Zo gaat het altijd. Maar hier in Pakistan is dat een ceremonie protocolaire met veel toeters en bellen waard. Niet verwonderlijk: een diploma van Stoffels is het enige goede nieuws dat hier te rapen valt.

(Naschrift: Triomf! Boven de minibar staat een klein kaartje – for foreign visitors only. Via roomservice kan je een blikje bier bestellen. Murree’s Classic Lager, gebrouwen in Rawalpindi. Tien minuten geleden heb ik drie blikjes van een halve liter besteld. Eentje voor nu, eentje voor later vanavond en eentje voor morgenavond. Zopas werd er op de deur geklopt. Een vriendelijke kerel stapte binnen met een draagplateau waarover een doek gedrapeerd was. Pas toen de deur gesloten was, ging het doek weg. Drie blikjes, een ijsgekoeld glas en heel veel papier. Een normale ontvangstbon zoals die in hotels afgetekend wordt, een register waarin ik mijn nationaliteit moest preciseren en nog een andere lijst die ik moest aftekenen.  Ik ben een kleine 1.200 roepies lichter, het bier heeft een typische Ganges-afdronk, maar om het met Beemsterkaas te zeggen: lèkker, ech lèkker!)

15:56 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

08-11-09

Kuifje in Pakistan - deel 1

Het is half acht plaatselijke tijd in Karachi. Ik heb zopas de meest kreukgevoelige kledij uit mijn valies gepakt en op haakjes gehangen.  Je kan zien dat ik mijn valies in een recordtijd – ongeveer 6 minuten – gemaakt heb: alles zit door elkaar en ik heb spullen mee die ik hier absoluut niet kan gebruiken. Denk aan winterse pulls, een tondeuse, usb-kabeltjes…

Het is half acht en ik heb al 4 avontuurlijke uren achter de rug sinds het vliegtuig in het putje van de nacht op het vliegveld van Karachi landde.  Mijn pick-up stond keurig op tijd te wachten met het bordje voor Mister Christoffieeeee.  Alleen met mijn visum bleek er iets niet helemaal in orde. Ondanks alle ‘Letters of recommendation’ en laissez-passer, is de Pakistaanse ambassade in Brussel erin geslaagd om als reden van mijn bezoek ‘Family visit’ in te vullen. En bovendien ontbreekt er een stempel op het visum. In Pakistan is dat een probleem, ook om half vier ’s morgens. Er is een mannetje of vijf aan te pas gekomen. Eerst een met twee strepen op de revers van zijn uniform, dan een met vier strepen, dan een met een kroontje en twee dikke strepen, dan een met twee kroontjes… Na een half uur hadden ze de oplossing: twee stempels bijzetten, terug naar de air-side en opnieuw aanmelden in de wachtrij diplomatiek personeel en ngo’s.

Mijn plaatselijk contact had laten weten dat ik even zou moeten wachten op een collega die met een latere vlucht zou komen, maar dat we de tijd zouden kunnen doden door een ‘very special coffee’ te drinken. Mijn pick-up liep me voor naar een Mac Donalds, die 24 uur per dag open is. De vlucht van de collega had vertraging en de pick-up vroeg, duidelijk gegeneerd, of ik nog een koffie wou. Laten we eerst een wandelingetje maken, stelde ik voor. Hij aarzelde , want hij had van zijn chef duidelijke instructies gekregen: toon alleen de internationale aankomsthal en de Mac Donalds, niet de vertrekhal of de hal voor binnenlandse vluchten.  Te veel veiligheidsmaatregelen en –mensen daar, te veel sluiers en baarden, te veel Pakistan voor een buitenlander die zich een beetje zorgen maakt over eigen lijf en leden.  We hebben toch mijn zin gedaan en het was een groot feest voor oog en oor.

Rond vijven reed de taxi, na een paar roadblocks te zijn gepasseerd, de zwaar beveiligde compound van de Sind Club binnen. In deze negentiende eeuwse Gentlemens Club was men duidelijk niet op onze komst voorbereid. Een slaperige conciërge liet ons een eindeloze trits documenten invullen. Eerst lid worden van de club en daarna pas een kamer, zo stond het blijkbaar in het reglement. Sleepvoetend ging hij ons voor, gebouw in, gebouw uit, door een park en daarna nog een park en twee verdiepingen de trap op.  Hij schoof de deur open en knipte het licht aan van een kamer waarvan je zou gezworen hebben dat er nog iemand in lag te slapen: sokken op de grond, kledij op de tafel, een leeg blikje frisdrank, een volle asbak. Ik keek mijn collega bedenkelijk aan en zei aan de pick-up dat dit toch niet helemaal was wat we verwacht hadden. “Yes, but we will make up room!”, reageerde sleepvoet. Het zou een kwestie van slechts enkele uren zijn om de kamer presentabel te maken. In het Nederlands overlegde ik met mijn collega. Vorig week was inderhaast en op het hoogste niveau beslist om ons niet in het Karachi Marriott onder te brengen maar in deze ‘veel veiliger’ club. We hadden beide geen zin in deze gevangenisachtige kamers. Ik speelde mijn rol van ‘chief of mission’ en zei dat we onmiddellijk koers zouden zetten naar het even verderop gelegen Marriott. Opnieuw kwam er uitgebreid overleg in het Urdu aan te pas. “We have better room in new building” probeerde sleepvoet nog, maar ik liet me niet vermurwen. “I have no longer confidence in you. If you try to fool us with dirty rooms, you will try to fool us in many other ways too.” Ik griste onze paspoorten uit zijn handen, verscheurde de lidmaatschapsdocumenten en stapte op hoge poten naar buiten en de taxi in.

 

Hoewel het Marriott hotel en de Sindh Club slechts anderhalve kilometer van elkaar verwijderd liggen, is de rit nogal onaards. Naar schatting tien wegblokkades moeten verhinderen dat boosdoeners tot bij het hotel geraken. Sommige blokkades bestaan uit twee rijen betonblokken waar je traag rijdend tussendoor moet zigzaggen, andere uit metalen platen die schuin boven het wegdek uitsteken en die na een controle van het voertuig – motorkap open, kofferdeksel open, hond erin en spiegel onder het chassis – hydraulisch naar beneden schuiven. De ingang van het Marriott kan je met de wagen alleen bereiken door vanaf de dienstingang achteruit rond het hotel te rijden tot je bij de entree uitkomt. Daar gaan de bagages door de scanner en de hotelgasten door de metaaldetector – voor de zoveelste keer hetzelfde ritueel:  gsm in een bakje, jas in een bakje, broeksriem uit, met gespreide armen en benen gaan staan en het zoemende ijzer langs je lichaam voelen strijken. Eens dat achter de rug, is de Marriott echter een en al gastvrijheid, vriendelijkheid en gedienstigheid.

Het is bijna half negen. Even zien of ik dit gepost krijg en dan een heerlijk lang bad…

 

 

06:56 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

02-11-09

Naar Pakistan (olé olé olé)

Pakitrain“Maar ze gaan u daar stukken vanéén schieten! Gij zijt goed zot geworden, gij!”

Laten we zeggen dat de cafévrienden niet echt enthousiast reageerden op het bericht dat ik volgende maand naar Pakistan gestuurd word. Je kon - bij wijze van spreken – de nog dampende geweerlopen zien en ruiken in hun reacties.

 

“Allez, mannekes, niet overdrijven, hé. Jullie verwarren Pakistan met Afghanistan, me dunkt. Het enige wat in Pakistan gevaarlijk is, is de trein nemen. Die zitten namelijk veel te vol. Zo vol dat de conducteur nauwelijks nog iets ziet door zijn venstertje. Ze rijden daar een beetje op de tast.”

 

 Absolument pas!”, riposteerde vriend P., van huize uit Franstalig en sinds zijn kennismaking met West-Vlaamse expats enigszins vertweetaligd. “Het zijn daar ‘boemen’, mon ami, ohlala! Als ze u in otage nemen, we zullen nen eetfestijn organiseren veu de Stoffels. Ballekens in tomatensaus!”

 

Het betoog van mijn goede vrienden was zo overtuigend dat ik zelf begon te twijfelen. Oké, Pakistan heeft af en toe eens een aanvarinkje met India en er lopen daar nog enkele krasse knarren van de filharmonie Taliban rond, maar voor de rest is het daar toch peis en vree. Nee? Ik begon te twijfelen, hoewel er geen weg terug meer is. De offerte is goedgekeurd, de datum voor de kick-off ligt vast, in Karachi en Lahore wordt een extra voorraad Stella ingedaan. Op 7 november – dat is over dik twee weken - stap ik op het vliegtuig.

 

Als ik twijfel over de bereisbaarheid van een land, doe ik drie dingen in willekeurige volgorde: het reisadvies van ons eigenste ministerie van Buitenlandse Zaken raadplegen, het CIA World Fact Book raadplegen en de naam van land googlen voor afbeeldingen. Dat laatste ging niet zo lekker. De eerste afbeelding die ik voorgeschoteld kreeg, was een foto van een bloedende en behoorlijk nogal dode man bij een auto, met op de achtergrond een rookpluim. De foto staat op de vreemde site www.weeswaakzaam.punt.nl en illustreert een bericht dat dateert van 8 augustus 2008.

 

In de rij eronder een foto van een F16 die bommen aan het werpen is. De foto staat bij een bericht dat op 26 maart 2005 op de site www.armscontrolwonk.com geplaatst is. Véél te lang geleden om me zorgen over te maken. Nog een rij lager dan maar, - en alweer bedenkelijks: een foto van een kind dat met een volautomatische mitrailleur staat te zwaaien. Erg bemoedigend is het allemaal niet. Maar ik moet mij mans houden. Als Hilary Clinton naar Peshawar durft gaan, dan durf ik toch wel naar Karachi en Lahore gaan, zekerst…

 

Er liggen anderhalve week tussen de vorige paragrafen en deze. Ik heb keurig op tijd mijn presentaties afgeleverd, alle vluchten – 10 stuks in totaal – zijn bevestigd, de visa zijn geregeld en mijn grote rode valies staat klaar om gevuld te worden. Ik ga, punt uit.

 

De Belgische ambassade in Islamabad heeft al gereageerd op mijn bericht van kennisgeving: “Wat fijn dat u ons op de hoogte gebracht heeft van uw plan om naar Pakistan te reizen; eigenlijk zouden we liever hebben dat u thuisblijft.” Deze morgen was er ook een e-mail van de Nederlandse ambassade: “Wat leuk dat u komt! Hieronder is een lijstje van steden en locaties waar u beter wegblijft: openbare gebouwen, markten en manifestaties, regeringsgebouwen en torengebouwen, militaire installaties en VN-gebouwen… Geef ons een seintje indien u een gepantserde wagen en veiligheidspersoneel denkt nodig te hebben.” Maar ik ga, punt uit.

11:25 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |