09-11-09

Kuifje in Pakistan - deel 2

Het is maandagavond, even voor zessen en ik ben bekaf. De chauffeur keek raar op toen ik zei dat we hem vandaag niet meer nodig zouden hebben en dat hij wat ons betreft rustig naar huis kon rijden.  “But, Sahib, I have a list of things we have to visit. And we have to go to this restaurant…” “No, thanks, we have some work to do, so we rather eat in the hotel.” Dat zijn we ook van plan straks, maar eerst moeten we even het hoofd leeg maken. Halfweg de middag heeft mijn collega-trainer een pilletje genomen tegen de hoofdpijn. Ik ben op dit uur aan een pilsje toe, maar ik ben nog niet zeker dat dat lukt…

Gisteren hebben we op de meest onwaarschijnlijke plek gegeten: Lal Quila, een nagebouwd Punjabi paleis waar aan een gigantische buffet naar schatting 80 verschillende Aziatische en Chinese specialiteiten geserveerd worden. Onze counterpart had ‘een en ander geregeld’, van een koor dat aan onze tafel kwam zingen, over een vuurdans demonstratie tot het traditionele vierendelen van een taart voor de verjaardag van Prince Stof (geboren in juli) en Prince Marcel (geboren in april). Een glas wijn bij de gerechten behoorde evenwel niet tot de mogelijkheden. Ik begin overigens de smaak van plat water te pakken te krijgen…

Rond half elf reden we naar het hotel terug, voor de vierde keer volgens hetzelfde ritueel: voorbij sas 1, stoppen voor een opstekende metalen plaat, hond in de koffer, motordeksel open, via twee slagbomen naar een smalle weg tussen twee betonnen muren en zo achteruit tot aan de voordeur van het hotel. Eerder op de dag ha ik in de minibar, tussen twee blikken Fanta en sprite door, een blikje Bavaria zien blinken. Oké, ’t is geen Jupiler of Stella, maar alla… A la guerre comme à la guerre. Mijn teleurstelling was niet onaanzienlijk toen ik na de eerste slok proefde dat het ene blikje alcoholvrije Bavaria betrof. Bavaria is al erg, maar alcoholvrije Bavaria is nog vele keren erger. Geen wonder dat de Hollanders er een exportproduct van gemaakt hebben. 

Vandaag was de verjaardag van Iqbal, de nationale dichter, goed voor een betaalde feestdag. Toen we even voor achten in de training room aankwamen, was er nog geen levende ziel te bespeuren. Of liever:  geen Engelstalige levende ziel. Wel een handvol agenten en veiligheidspersoneel met mitrailleurs. Ze waren ongeloof rap wakker toen ze mijn collega en ik elk met een uitpuilende attachékoffer de trap zagen opkomen. Uit de gebaren en het geschreeuw kon ik opmaken dat we onze tassen neer moesten zetten en enkele trappen achteruit moesten gaan. Hoe lang we zo onder schot op de trap hebben gestaan, weet ik niet, maar het leek een eeuwigheid voor een hoge pief van de Trade Development Board de agenten duidelijk kon maken dat we braaf volk waren.

Ondanks de vrije dag liep de zaal vanaf 8u.30 vol met een wel zeer heterogeen gezelschap: studentes textielontwerp van amper 20 en een bedrijfsleider van eind de zeventig die hijgde alsof hij elk oment de geest kon laten, ietwat groezelige mannen met lange baarden in kallaba’s of jeftans of hoe die soepjurken ook mogen heten en knappe kerels in flashy kostuums, paper pushers van ministeries en andere overheidsinstanties en rasentrepreneurs die een paar jaar in Amerika of in Frankrijk hadden gestudeerd, marketing managers van handgenaaide spullen die alleen op de Louizalaan verkocht worden en sales managers die honderdduizenden witte t-shirts per maand verzetten…  Zo’n heterogene groep een volle dag al je aandacht geven vreet energie. Ze hebben honderden vragen en ze willen je het liefst hun hele (professionele) leven vertellen.

De counterpart had de grote middelen ingezet. Om veiligheidsredenen was de workshop – totaal onterecht – van het 5-sterren Marriott naar de Board Room van een overheidsorganisatie overgebracht. Het was niet makkelijk om aan alle onze technische vereisten te voldoen en dat probeerden ze met personeel te compenseren. Telkens ik een stap zette, bijvoorbeeld om op de flipover een velpapier om te draaien, sprong er een mannetje uit de coulissen om dat in mijn plaats te doen. Je zoekt een marker? Hup, daar springt het mannetje al naar het midden van de grote ovalen tafel om ze voor je te halen. Even naar buiten? Sputter-sputter, zegt het mannetje en hij houdt met een grote smile de deur voor je open. Ook voor de lunch break werden alle registers open getrokken. Normaal hebben de deelnemers keuze uit 2 voorgerechten en 2 hoofdgerechten, hier was je al een kwartier zoet met alleen maar een keuze maken uit alle dampende potten.

De Pakistani zijn boos. Boos op de media en boos op de mensen die uit de berichtgeving concluderen dat Pakistan één grote oorlogszone is. Telkens ik zeg dat ik die (over-)mediatisering begrijp maar dat dat me geen moment heeft doen twijfelen, zie je die grote bruine reeëogen opengaan.  ‘Vind je ons land oke?’ ‘Maar natuurlijk wel! Als je even de tijdelijke maatregelen wegdenkt, is dit toch een schitterend land!’ ‘Meen je dat echt?’ ‘Anders had ik het niet gezegd…’  Vervolgens willen ze je, in woorden maar veel liever nog lijfelijk, meenemen. Naar hun favoriete uitkijk over de zee, naar hun favoriete winkelstraat, naar hun favoriete restaurant, naar hun geboortehuis, naar hun fabriek… Het vraagt veel taaiheid om nee te zeggen en nee te blijven zeggen. Gelukkig kunnen we een sterk argument gebruiken: because of the security situation…

Op het einde van de eerste cursusdag is de minister van textielzaken een handje komen schudden. Morgen rond vijven komt hij terug, met nog meer ministers en staatssecretarissen en directeuren. En met de massaal opgetrommelde pers. Iedereen die twee dagen naar mijn gezeik heeft geluisterd, krijgt een diploma. Zo gaat het altijd. Maar hier in Pakistan is dat een ceremonie protocolaire met veel toeters en bellen waard. Niet verwonderlijk: een diploma van Stoffels is het enige goede nieuws dat hier te rapen valt.

(Naschrift: Triomf! Boven de minibar staat een klein kaartje – for foreign visitors only. Via roomservice kan je een blikje bier bestellen. Murree’s Classic Lager, gebrouwen in Rawalpindi. Tien minuten geleden heb ik drie blikjes van een halve liter besteld. Eentje voor nu, eentje voor later vanavond en eentje voor morgenavond. Zopas werd er op de deur geklopt. Een vriendelijke kerel stapte binnen met een draagplateau waarover een doek gedrapeerd was. Pas toen de deur gesloten was, ging het doek weg. Drie blikjes, een ijsgekoeld glas en heel veel papier. Een normale ontvangstbon zoals die in hotels afgetekend wordt, een register waarin ik mijn nationaliteit moest preciseren en nog een andere lijst die ik moest aftekenen.  Ik ben een kleine 1.200 roepies lichter, het bier heeft een typische Ganges-afdronk, maar om het met Beemsterkaas te zeggen: lèkker, ech lèkker!)

15:56 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.