29-12-07

Een bijzondere dag...

Je moet in het leven van alles eens geproefd hebben. En dus stond ik op vrijdag 28 december om enkele minuten voor achten op het Graffplein mijn ‘leermeester voor één dag’ op te wachten. Albert zou mij het fijne métier der installatietechniek bijbrengen: een gaswandketel onderhoudern, een handvol verwarmingstoestellen terug aan de praat krijgen, een thermostaat van een douche repareren, een wc-vlotterke vervangen... Er stonden een tiental opdrachten op ons lijstje, dus het zou een lange dag worden.

     Ik had mijn meest versleten broek en trui aangetrokken. Daardoor had ik enigszins over het hoofd gezien dat het eind december behoorlijk koud kan zijn. Een gure wind sneed langs mijn oren. Ik trok mijn pet wat dieper over het hoofd, stak een sigaret op en keek hoe aan de overkant de Turkse buurtwinkel tot leven kwam. Donkere gestalten sleepten paletten aan om de groenten en het fruit op uit te stallen. Van een geparkeerde witte bestelwagen schoof het raampje naar beneden. “Helaba! Helaba, Stoffels, ik sta hier!”Albert stak zijn hoofd door het raampje. We hadden allebei tien minuten staan wachten, elk aan een andere kant van het plein, allebei stellig ervan overtuigd dat de andere niet zou komen opdagen. Ik stap gezwind in en zwier mijn fototas tussen een berg attachékoffers en materiaalkisten. “Het leven zoals het is...de installateur”, glimlacht Albert en hij neuriet een deuntje dat ik later die dag nog tientallen keren zal horen. 

  

 Onze eerste halte is een oer-Vlaamse villa in een Wemmelse nieuwbouwwijk. “Een soldaat van een vrouw!”, waarschuwt Albert me terwijl hij de bestelwagen op de oprit maneuvreert. Hij neemt uit de laadbak een koffer die veel zwaarder is dan hij eruit ziet. Ik huppel achter hem aan met mijn fototas. Het echtpaar heeft onze komst verbeid. We worden door de garage tot bij de gaswandketel geloodst. Onmiddellijk gaat Albert aan de slag: frontpaneel eraf, afdekplaatjes losschroeven. Ik ben nog niet helemaal bij de les en staar enigszins verwonderd in het rond. Toon me je garage en ik vertel je wie je bent, denk ik. Albert laat me kennis maken met de thermokoppel, een onderdeel dat om één of andere reden vaak stuk gaat en dat ook later die dag een centrale rol zal spelen in onze activiteiten.  

   

 De heer des huizes, een goeiige loebas, komt af en toe kijken of we nog koffie believen. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij een mogelijkheid zoekt om even onder het juk van zijn bazige vrouw vandaan te zijn. We beginnen een praatje. Over het weer, over gaswandketels, over de elektronica die erin zit. Zijn vrouw stuift de garage binnen en valt ons in de rede. Dat het tegenwoordig met die gsm allemaal zo gezegd gemakkelijker is, maar dat het vroeger toch anders was. En dat de mensen toen ook gelukkig waren.. Ondertussen is Albert in de weer met een soort blazer-zuiger. Het lawaai overstemt – gelukkig – het gesprek.   

   

  Als de klus erop zit, wil mevrouw weten wanneer we de ketel in de woning van haar dochter onder handen zullen nemen. “Ik zal begin januari eens bellen om een afspraak te maken”, zegt Albert. Maar daar neemt mevrouw geen vrede mee. Dat moet nu geregeld worden, dan weet iedereen waaraan hij zich moet houden. En trouwens, van uitstel komt afstel. Terwijl Albert in de bestelwagen op zoek gaat naat zijn agenda 2008 laad ik onze spullen in: de zware koffer, een gesofistikeerd toestel voor rookgasanalyse, een zaklamp en een vinnig caravanstofzuigertje. Het is half negen en onze eerste klus zit erop. “Lalala, weer een tevreden klantje”, neuriet Albert en we zetten koers naar de Limburg Stirumlaan.   

   

 Albert_mazoutOp onze tweede post worden we met open armen maar zonder koffie ontvangen. We moeten een stookolietank testen op zijn deugdelijkheid. Er komen opnieuw ingewikkelde toestellen aan te pas: sondes die diep in de buik van de tank allerhande dingen meten. En er komt ook een feestelijk ballonnetje aan te pas dat als een soort condoom over de ontluchter gaat. Albert ligt languit over het trottoir om in de stookolieput dingen open en dicht te draaien. Op enkele meters van hem raast het ochtendverkeer voorbij. Ik probeer de kou te verbijten en maak een paar foto’s. “Ze maken een reportage over mij”, glimlacht Albert naar de wat verbaasde klant. De stookolietank blijkt in uitstekende conditie en wordt daarvoor beloond met een groene dop. En een attest dat we in het rommelige kantoortje bij elkaar schrijven. “Lalala, weer een tevreden klantje”, neuriet Albert terwijl we opnieuw in de wagen stappen. Hij heeft er zin in vandaag, zoveel is duidelijk.       Dwars door het Pajottenland rijden we naar Kester. Via een zijweg van een zijweg van een zijweg bereiken we onze bestemming: een afgelegen, gerestaureerde hoeve. Op de oprit staan een paar oldtimers en racewagens. Traag loodst Albert de bestelwagen door de inrijpoort tot voor een hek. Ik stap uit om het hek te openen, maar aarzel even. Als op dit erf een hond rondloopt, ben ik er gloeiend bij. Ik zet het hek op een kier en speur het erf af. Er gebeurt niks. Opengooien die handel.   

   

 Via een openstaande deur bereiken we de wasplaats annex stookplaats. Voor de wasmachine ligt een berg van pakweg dertig jeansbroeken. In het tweede deel staat pontificaal op een sokkel een forse stookketel. Hier moet een groot kot verwarmd worden. Daar heb je zo’n stevige Elco Klöckner voor nodig. Maar ondanks zijn Duitse degelijkheid weigert hij vandaag dienst. Albert baant zich een weg door een stapeltje skeelers en skateboards, schuift een paar terreinfietsen opzij en neemt het frontpaneel weg. “Zie je wel! Zo zwart als Mollekes gat”, zegt hij terwijl hij een roetzwarte sproeimond uit de brander haalt. Uit de zware koffer diept hij een nog maagdelijk wit poetsdoekje op. Langzaam krijgt de sproeimond opnieuw een heldere metaalschijn. Een stukje elektriciteitsdraad wordt afgestript tot een geïmproviseerd naaldje. Met een scherpe blik en veel geduld maakt Albert elk gaatje schoon. Af en toe houdt hij het werkstuk tegen het licht. Daar zit nog een stukje roet. En daar ook... Een kwartiertje later is het imposante toestel opnieuw in elkaar geknutseld. “Op hoop van zegen”, grinnikt Albert terwijl hij de groene startknop indrukt. Een pomp slaat aan, tien seconden later ontstaat binnenin de ketel een diep gebrom. Ik zie een tevreden glimlach op zijn gezicht. “Lalala, weer een tevreden klantje...” We verlaten het erf en sluiten het hek achter ons. De hele tijd hebben we geen levende ziel gezien.   

   

 Na een tussenstop bij een groothandel voor sanitair materiaal komen we aan in een buitengehucht van Opwijk. Een jong stel heeft hier zijn introk genomen in een typisch huis-met-koterijen. Achter het hek doet een boxer alsof hij hier de eigendommen bewaakt. Ik spreek hem aan en hij begint spontaan te kwispelend. Af en toe stoot hij een geluid uit dat het midden houdt tussen hoesten en blaffen. Even later verschijnt de vrouw des huizes, eind twintig met een opgroeiende peuter en een verwarmingsketel die om het uur uitvalt. Ze leidt de boxer naar zijn box en opent het hek. We lopen met de zware koffers, bijkomende verlichting en testapparatuur het erf op.  

   

 Door het raam van de veranda tel ik minstens zes poezen, links op het grasperk staan drie hokjes met konijnen, erachter is een grote duiventil geïnstalleerd. We laveren langs een aanhangwagen om paarden te vervoeren en komen terecht in een stoffig en donker hok. Albert schuift op zijn smalste kant langs een oude sofa en een afgedankte strijkrol tot bij de ketel, die in een hoek staat opgesteld. Zijn kruin en mijn pet hangen vol spinnenrag. Het was blijkbaar al een hele poos geleden dat hier nog iemand van 1.85 meter langsgekomen is. Ik zoek mijn assitentenplekje in de nauwe doorgang en probeer me kleiner en smaller te maken dan ik eigenlijk ben. Albert trekt zich van het stof en de spinnenwebben niks aan en haalt enthousiast de verwarmingsketel uit elkaar. Brander vervuild? Jazeker, maar er is nog meer aan de hand. “Kijk, dit is een goedkoop keteltje en een goedkoop brandertje”, legt Albert uit. Hij toont me de twee dioden die voor de vonk moeten zorgen. “Als die vervuild zijn, vreet de koolstof in de diode en krijg je een ontlading langs de diode. Da’s nooit goed.”     

Voor het eerst moeten we een beroep doen op de klant. Of mevrouw soms een scheutje Cif in huis heeft. Ze kamt de rommelige woning en de even rommelige koterijen uit en komt na 10 minuten op de proppen met een fles Cif die duidelijk haar beste tijd gehad heeft. “Ik weet niet of die nog goed is, want dat stond hier al toen we hierheen verhuisd zijn.” Albert neemt de fles aan, knipoogt naar mij, haalt Albert_cifhet stof er van weg en begint ze krachtig te schudden. Cif is als een goeie bordeaux: dat wordt beter als dat een paar jaar kan liggen. Fluitend begint hij de diodes op te poetsen tot ze blinken. Heb je jaren verwarmingstechniek gestudeerd, sta je toch nog met een poetsdoekje en een fles Cif tussen de spinnenwebben onnozele stukjes ijzer schoon te maken.  

    

  Techniek is iets raars, zeker voor wie niet technisch onderlegd is. Het is me al een paar keer overkomen dat er in mijn auto iets ratelt dat niet hoort te ratelen. Na een paar dagen ga ik met de ratelende wagen naar de garage, maar wanneer de mechanicien de wagen start, ratelt hij niét meer. Tot ik onverrichter zake naar huis keer. Na een paar kilometer begint het geratel opnieuw. Met de ketel in Opwijk gaat het net zo. Wat we ook proberen, het ding wil niet meer stil vallen. De testresultaten zijn goed, dus kramen we op. Om een paar uur later opnieuw telefoon te krijgen van de jongedame: de ketel is weer uitgevallen. Albert is onverstoorbaar. “Lalala, ik kom maandag wel even terug...”      Elders in Opwijk moeten we in een nieuwbouwappartement een compacte gaswandketel onder handen nemen. Voor het eerst laat Albert de zware koffers in de auto. Enkel gewapend met een Engelse sleutel en een set dichtingsringetjes trekken we naar de eerste verdieping. Water aflaten, leiding ontkoppelen, slechte dichting eruit, goeie dichting erin, leiding weer aankoppelen, water toevoegen, klaar! De hele operatie heeft hooguit 10 minuten geduurd. Een makkie. “Lalala...” En deze keer is de gelukkige klant een nichtje, dus er komt geen factuur.  

   

 “Nog geen honger?” vraagt Albert terwijl we ons naar Meise haasten. Ik vertel dat ik ’s middags zelden eet. Dat hebben we gemeenschappelijk; ook hij kan een dag lang zonder eten. Aan de voordeur van het huis in Meise hangt een briefje: ‘t.a.v. mijnheer Albert V.: gelieve langs de achterdeur binnen te komen. We lopen achterom en loodsen onze zware koffers behoedzaam langs een rij zuurstofflessen door het nauwe keldergat. “Longkanker”, fluistert Albert, “hij heeft niet lang meer tegoed. En pas op, zelf nooit gerookt, hé!”  Door een wirwar van kelderkamers komen we bij een aftandse gasketel. De ketel staat keurig vrij, hier hoeven we niet eerst tien minuten puin te ruimen. Met een routineus gebaar haalt Albert het frontpaneel weg. Binnen de kortste keren zijn de thermokoppel en de sproeimond van de waakvlam vrij. Er wordt opnieuw gepoetst en gewreven dat het een lust is, maar...de ketel slaat niet aan zoals het hoort.  

  

“Nu wordt het wat ingewikkelder”, zegt hij met een brede grijns. Onder een afdekplaat zit een wilde en veelkleurige wirwar van draden. Er komt een...euh...elektriciteitsmeter aan te pas. Voorzichtig wurmt hij de testpennen door het kluwen draden. Ik hoor de radertjes in zijn hoofd draaien. “Als dit de voeding is, dan vertrekt hier...en hier...de thermostaat...die daar...en daar terugkeert...” Op de display van de tester verschijnen telkens andere resultaten: 234.7, 28.4, -- --, 28.8... En plotseling: pàts, de hele kelder in volslagen duisternis. Albert blijft ijzig kalm: “Tiens, er klopt iets niet met mijn schema.” In mijn jaszak ga ik op zoek naar een aansteker, maar Albert is mij te snel af. Uit zijn bodywarmer haalt hij zijn gsm te voorschijn. Bovenaan het toestel zit een lampje dat voldoende licht geeft om de kelder uit te lichten. De differentiaalschakelaar zit een paar meter verderop, rechts van een rek met dozen mosverdelger en rattengif. Ik ril even...   

 “Volgens mij kan het met minder.” Albert maakt een voor een de zowat dertig verbindingen los. Daarna verbindt hij stap voor stap de contactpunten: van de voeding naar de transformator, van de transformator naar de thermostaat, van de Albert_draadjesthermostaat naar het gasblok. En daarna terug, want het gaat om elektriciteit en dan moet de cirkel rond zijn. Op het deksel van de ketel blijven nog een tiental draden over. “Die hebben we niet meer van doen. Souverniertje voor de eigenaar.” We starten de waakvlam, geven een draai aan de thermostaat en de ketel doet wat hij moet doen: branden. “Lalala...”    In Strombeek-Bever wacht ons een akkefietje: water toevoegen aan een circuit, zodat de druk voldoende hoog is om ook de bovenste verdiepingen van het gebouw te verwarmen. De reden van onze missie verbaast mij een beetje. Ik ben een volslagen nul voor alles wat ook maar naar het technische zweemt, maar water toevoegen aan het verwarmingscircuit kan ik wel. De eerste keer heb ik weliswaar een paar keer moeten proberen, maar ondertussen heb ik het onder de knie. Wanneer we het gebouw binnenstappen, blijkt waarom we ons hier met dat soort onnozelheden moeten bezighouden: we worden begroet door een hoogblonde schoonheidsspecialiste: “De verwarmingsketel? Is dat zo’n grote witte bak? Die staat daar in het borstelhok, geloof ik...”  

   

 We rijden opnieuw bij een groothandel langs. Net als het filiaal in Asse wordt ook hier gratis soep en koffie aangeboden aan de kleumende installateur. Terwijl Albert op zoek gaat naar een vervangstuk voor een thermostatische kraan, vul ik enthousiast twee bekertjes. De koffie blijkt Glühwein te zijn. We vinden allebei van elkaar dat we goed bezig zijn geweest en dat we bijgevolg een beker Glühwein verdiend hebben. “We hebben deze morgen al zeven gezinnen gelukkig gemaakt en wat hebben we daarvoor nodig gehad: een groene dop, een ballonnetje, een scheutje Cif  en een dichtingsringetje. Fantastisch, toch!”     Het is even voor tweeën wanneer de Wilde Weldoenermobiel in het centrum van Vilvoorde halt houdt. In een rijhuis weigert een gaswandketel dienst. Via de brandverzekering werd Albert opgetrommeld om het euvel te verhelpen. De heer des huizes is een prille zestiger. Hij is in zijn nopjes omdat er tegelijk een installateur en een technisch expert – ik dus – op zijn weerbarstige ketel werden afgestuurd. Hij loodst ons door de woonkamer en gaat ons voor langs de bochtige keldertrap. Ik werp een blik op de voorraden links en rechts van mij: hondenvoer, kattenvoer, wasmiddel voor delicate weefsels, erwtjes in blik, ontbijtgranen, koekjes van Destrooper, kriekenconfituur, een fles cognac... In een hoek van de kelder staat de verwarmingsketel, geflankeerd door een wasmachine en een droogtrommel. De heer des huizes heeft alvast een looplamp klaargelegd en houdt ons van op een afstand in de gaten.  

   

 Albert knielt voor het toestel en begint met zijn routine, ik sta achter hem en licht bij met de looplamp. Diagonaal door de kelder loopt een waslijn waar vandaag maar twee soorten kledij aan hangen: acht paar ouderwetse, wollen herensokken en vier frivole BH’s van Marlies Dekkers. De sokken zijn ongewtijfeld van de heer des huizes; hij is er het type voor om dit soort sokken te dragen. Maar van wie zouden die BH’s zijn? Is hij getrouwd met een veel jongere vrouw die dit soort wufte lingerie draagt of behoren die pastelkleurige kantjes aan hun oudste dochter toe?    “Helaba, chouke, ’t is hier te doen, hé!” Met een wat vette knipoog haalt Albert mij uit mijn dagdromerij. Ik was ondertussen de trommel van de wasmachine aan het bijlichten, maar daar was niks aan stuk. Ik zie de heer des huizes denken dat die leerjongens tegenwoordig toch ook niet meer zijn wat ze vroeger waren. Binnen de twintig minuten krijgen we de armlastige verwarmingsketel opnieuw aan de praat. De heer des huizes is zichtbaar opgelucht, bedankt ons uitvoerig en steekt Albert een briefje van tien euro toe. Drinkgeld...

  

Wanner we terug buiten staan, steekt Albert het briefje triomfantelijk in de lucht. “Hierzie, Stoffels, dat gaat u goed van pas komen, vanavond bij Staaf...” We rijden naar Kapelle-op-den-Bos. Bij een bejaard koppel heeft een douchemengkraan kuren. Alleen als de waterkraan voluit staat, geeft de douchekraan water van een aanvaardbare temperatuur. “Maar dan is het net alsof je onder een mitrailleur staat”, jammert de man.   

  

Het echtpaar woont in een smal maar diep huis. Zij bewoont de voorste vertrekken, tegen de straatkant aan; hij bewoont het achterhuis. Slapen, eten, wassen, televisiekijken doen ze elk in afzonderlijke vertrekken. Slechts occasioneel kruisen hun wegen elkaar, maar ook dan wordt er geen woord gezegd. De man lijkt blij dat hij eindelijk mensen in huis heeft waar hij iets kan tegen zeggen en hij praat honderduit over vanalles en nog wat. In de woonkamer staat de televisie op. Bart Wellens en Sven Nys hebben 9 seconden voorsprong op het peloton. “’t Zijn straffe mannen”, roept Albert van uit de douchecel, “...maar wij ook!” Ik bouw krediet op dankzij zijn vakkunde. De klus is in een handomdraai geklaard en wanneer we het erf afrijden worden we uitbundig uitgewuifd. Ook ik krijg er zowaar een lalala-gevoel van.      Door de invallende duisternis rijden we naar een oud koppel met een jonge ketel. Twee jaar geleden geïnstalleerd, goeie kwaliteit, alles automatisch, met speciale programma’s voor weekdagen, zondagen, feest- en vakantiedagen. Maar nu laat de computer het afweten. Alle andere onderdelen zijn in topconditie en dus wordt de behuizing van het sturingssysteem opengelegd. Albert neemt telefonisch contact op met de technische hulplijn van het merk, maar de adviezen halen niks uit. Zo goed als de ketel functioneert in manuele modus, zo stil blijft hij in automatsiche modus. Dit is een specialleke, waar de fabrikant bijgehaald zal moeten worden. Maar ondertussen kan je klanten toch niet een hele week in de kou zetten. En dus komt er een creatieve – voorlopige – oplossing: een nieuwe kamerthermostaat en een paar aanpassingen aan het besturingssysteem. ‘+ = hogere temperatuur, - = lagere temperatuur’, lees ik in de handleiding. Zou er iemand zijn die het omgekeerde denkt?     De dagteller van onze bestelwagen wijst ondertussen 140 kilometer aan. “Doen we er nog eentje?”, vraagt Albert. “Graag!”, antwoord ik met een vreemd soort gretigheid. Van dit soort weldoenerij kan ik niet genoeg krijgen. En dus rijden we naar Wolvertem om er de vlotter van een wc te vervangen. We worden onthaald door een ongetrouwde onderwijzeres in een nogal kaal appartement. Ze vraagt of we – mijnheer en die jongen – iets willen drinken en allebei antwoorden we “Koffie graag!”. De onderwijzeres zegt dat het helaas oploskoffie zal worden, maar dat vinden we niet erg. Het gaat immers meer om het idee. De vrouw verdwijnt in de keuken en nog voor ze met twee koppen Nescafé en een schoteltje wafels kan terugkeren, is de vlotter vervangen en de klus geklaard. Niks laat zich vlotter vervangen dan een vlotter. Staande drinken we onze kop koffie leeg. We wensen de juffrouw prettige feestdagen en haasten ons naar buiten voor ze haar klaagzang over het leven kan aanvatten. Albert kent zijn pappenheimers, weet ik ondertussen.  

   

  Van acht tot achttien uur hebben we minstens zestien gezinnen opgelucht doen ademhalen. Minstens veertig mensen hebben we bezorgd waar ze zo erg naar verlangden: warmte. Dat verdient een beloning, bij voorkeur in ons favoriete café Bij Staaf. Wanneer we het café binnenstappen, zijn de andere ‘mannen van de Albert_stofbouw’ al present. Terwijl ik op een bierkaartje een paar trefwoorden en impressies bij elkaar pen, vertelt Albert aan de andere klanten uitvoerig over onze bijzondere dag. Tien minuten later had ik uitnodigingen op zak om een dag mee op te trekken met een elektricien, een metselaar, een tuinaanlegger, een voeger, een schrijnwerker en een privéchauffeur... 

16:25 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.