28-11-07

Eindejaarsblues

In het jaar des heren negentienhonderdvijfentachtig werd ik wegens te recalcitrant uit het internaat gezet. Ik had enkele net niet dementerende nonnen op het hart getrapt door hun kookkunst in twijfel te trekken en van de weeromstuit was ik niet langer welkom in ‘hun’ refters, ontbijtzalen en kantines. Nu ben ik van nature een taaie jongen, maar van maandagmorgen tot vrijdagavond zonder eten leek mij net iets te lang om leuk te zijn en dus ging ik noodgedwongen op zoek naar een hospita met kamer.

 

Via omwegen kwam ik in contact met Gerarda, een kranige tante die zich qua taaiheid met mij kon meten. Het klikte meteen tussen de toen 76-jarige hospita en de 17-jarige kamergast. Ik kwam uit een omgeving – een katholiek jongensinternaat – waar de dingen ofwél verboden, ofwél verplicht waren. Wie de verboden en de verplichtingen niet naleefde, werd gestraft. Ik bijvoorbeeld. Ik heb verhandelingen geschreven over de meest krankzinnige onderwerpen. Ik heb heelder krantenartikels uit het hoofd geleerd. Kruiwagens vol kiezeltjes van sportterreinen geraapt. Zakken vol snoepwikkels en andere papiertjes van speelplaatsen. En…altijd met de glimlach, - zeer tot ongenoegen van het toezichthoudend docentenkorps. Iemand die glimlacht wanneer hij gestraft wordt, dat mag niet! Dat kàn niet! Dat is tegen de regels! (Gelukkig stond in het tuchtreglement helemaal niks over het al dan niet glimlachen of bedroefd kijken bij de in ontvangstname van een straf.)

 

De verhuis van het internaat naar een kamer-met-kokkin was een behoorlijke cultuurschok. Toen ik een van de eerste ochtenden bij het ontbijt tekst en uitleg wilde geven bij de geplande naschoolse activiteiten voor die dag, was ze met een kort “Dat interesseert me niet!” in de rede gevallen. “Het enige wat ik hoef te weten, is wat je vanavond wilt eten en wanneer het klaar moet zijn.” No further questions asked…  (De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat zij het met een zware Kortrijkse tongval deed: “Dadde n’interesseer mie nie. Kzoe zjuuste willn weetn wuk dajje goat eetn en wanneir dak moette serviern.”)

 

Gerarda was een ‘ancienne’. Er waren mij een paar generaties kotstudenten vooraf gegaan. In de oorlogsjaren, in de swingende fifties, in de woelige jaren 60, in de van vrije liefde beroesde seventies… Bekende Vlamingen – Fred Brouwers om er slechts één te noemen – hadden onder het dak van Gerarda hun wildste jaren beleefd. En nu, op haar oude dag, had ze dus dat braaf schaap uit Brugge te gast. Veel te galant om goed te zijn. Houdt keurig de deur voor je open, doet de afwas, helpt bij het koken, laat de badkamer altijd netjes achter, haalt op de terugweg mijn boodschappen op en begeleidt mij naar de bushalte wanneer het geijzeld heeft…

 

De ‘noodoplossing’ was mij eerder een zegen. Toch was er een klein nadeel aan dit nieuwe alternatief voor het internaat. Gerarda was verlekkerd op de televisiezender RTL, waar zij elke avond (en middag!) met veel genoegen naar keek. Club Dorothée, La Téléboutique, I comme… Ik heb al die programma’s een enkele keer bekeken, om al snel tot het besluit te komen dat andere zenders beter aan mijn verwachtingen beantwoordden. Daarom kocht ik kochten vader en moeder Stof een compact kleurenteeveetje, met een scherm dat qua afmetingen vergelijkbaar is met een gewone pc-monitor. In negentienhonderdvijfentachtig was dat heel wat. Sommige mensen hadden nog geen televisie, anderen stelden zich nog steeds tevreden met een zwartwit toestel en ik kon naar hartelust én in kleur Channel 4 en BBC1 bekijken. Iets wat op het internaat TEN STRENGSTE VERBODEN was.

 

Mijn hele studententijd door – ik heb er iets langer over gedaan dan oorspronkelijk voorzien was – heeft het televisietje dienst gedaan. Voor mij en voor kotgenoten die niet over kabeldistributie beschikten en dus bij mij de boel kwamen leegzuipen kwamen aankloppen. Toen ik midden de negentiger jaren met mijn vent ging samenwonen, kreeg het toestel een secundaire rol toebedeeld. Mijn toenmalige schoonvader was een pief bij Philips en dus stond er binnen de kortste keren zo’n  belachelijk groot ding in onze woonkamer. Het kleine toestel verhuisde naar de logeerkamer-strijkkamer, waar ik maar zelden kwam. Het stond er een beetje zielig stof te vergaren.

 

Mijn vent verdween met de noorderzon. En met zijn grote teevee. Ik verkaste even later van Brugge naar Wemmel. En ik nam mijn klein teeveetje mee. Een tijdlang is het zelfs (!) aangesloten geweest op Coditel, maar die firma is zo loemp dat ik al na enkele maanden uit louter wrok het abonnement opzegde. Dat was in tweeduizend drie. Er kwam helemaal niks meer uit die dikke witte kabel die dwars door mijn woonkamer loopt, maar daar trok mijn teeveetje zich niks van aan. Het bleef dapper beelden produceren. VHS, DVD…het speelde allemaal geen rol. Als er maar kleur in zat, als het maar bewoog… In tweeduizend zes heeft het teeveetje finaal de geest gegeven. Ik heb er lange tijd niks van gemerkt. Het was nogal druk; ik had sowieso geen tijd om teevee te kijken.

 

Door mijn ietwat onderkoelde relatie met het televisionele gebeuren, heb ik een aantal ontwikkelingen gemist. Ik lees hier dat de huidige (*bijt heel even op de tong*) providers nog net zo plomp en onbeholpen te werk gaan als 10 jaar geleden. Ik hoor van vriend J. dat je om televisie te kijken een decoder nodig hebt die toch wel wat tijd nodig heeft om te laden. Ik observeer het gesakker in estaminet Bij Staaf, wanneer ‘de doos’ dienst weigert op het moment dat een Grote Match gaat beginnen. Ik bekijk het welles-niettes-spelletje van Belgacom en Telenet in mijn krant.  En ik begrijp er nauwelijks iets van. Televisie kijken anno vandaag? Vraag me niet hoe je dat doet, want ik weet het niet. Peritel, Scart, HDMI, DVI, Blu-Ray… Vraag me niet waar het over gaat, want ik weet het niet.

 

Ik zie volwassenen met een soort afstandsbediening in de rechterhand allerhande rare bewegingen maken. ‘Weed!’, denk ik, maar het blijkt om Wii te gaan. “Nu jij!”, zegt mijn jongste neefje en hij duwt me een bakske in de handen met daarop een rood vierkantje, een geel driehoekje, een groen cirkeltje, een blauw kruisje en een tsjoepke. Ik zit er wat schaapachtig naar te kijken terwijl op het televisiescherm een vis langs een vuurspuwend riool heen probeert te zwemmen. “Haha!”, kraait hij triomfantelijk, “je hebt nog maar 300 punten je bent al vier levens kwijt!” Al vier levens kwijt? Ik? Hoe? Waar?

 

“Kan je die e-mail forwarden naar mijn ander adres?” vroeg vriend J. me eergisteren. “Ik kan hem niet lezen op mijn gsm.” Op je gsm? Een gsm dient toch om te bellen!?! Ik lees mijn e-mails gewoon op mijn pc. Straks is het tweeduizend acht. Dat is het jaar waarin ik veertig word. Het is van mijn kloten…

 

12:34 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.