21-09-07

Sneeuwpret

sneeuwpretErgens in de Egeïsche Zee dobbert nu een vaartuig rond waar ik eigenlijk als een soort vlieg op zou willen zitten. Dat is om meerdere redenen verwonderlijk. Ten eerste lijkt een zee – zelfs de Egeïsche – mij een behoorlijk gevaarlijke plek. Het staat me voor dat er zoiets als ‘fly fishing’ bestaat en ik meen me te herinneren dat ook heel wat vissen af en toe een vlieg happen.

 

Mijn wensdroom is nog meer verwonderlijk wanneer je weet dat het om een zeilvaartuig gaat. Zeilboten doen mij aan ‘doevakanties’ denken. En als er één iets is waar ik een gruwelijke hekel aan heb, dan zijn het wel doevakanties. Vakantie is uitgevonden om dingen niét te doen. Om niets te hoeven. Het concept doevakantie is een vergissing. Het zijn twee tegengestelde begrippen waar één of andere perverse geest een enkel woord van gemaakt heeft. Waarschijnlijk was het iemand die het hele jaar door geen flikker te doen heeft en op een mooie dag uit puur schuldbesef zei: “Het wordt tijd dat ik eens iets ga doén!”

 

Toen ik twaalf was, werd ik voor het eerst getrakteerd op iets dat veel van een doevakantie weg had. In het gezelschap van moeder en zus toog ik naar een Franse berg waar een dikke laag sneeuw hoorde op te liggen. Omdat Pasen in 1980 vrij laat viel, bleek het op die berg qua sneeuw nogal mee te vallen. Hier en daar lag een vel sneeuw op een alpenwei waar je met ski’s overheen kon sjezen. Stel u bij het woord sjezen vooral geen hoge snelheden voor. Ik was op vakantie, dus ik had alle tijd. En trouwens, als je op het laagst gelegen deel van die alpenwei aangekomen was, moest je je met zo’n ellendige schijf tussen je billen weer helemaal naar boven laten sjouwen.

 

Het jaar daarop zouden we het allemaal wat vakkundiger aanpakken. Mijn zus en ik – allebei behoorlijke bleus wat wintersport betreft – zouden samen met de ouders – beide een stuk of wat skivakanties op de teller – een groep gewezen beroepssporters vervoegen teneinde onze afdalingstechnieken op punt te stellen. Afdalingstechnieken… Veel verder dan een schuin aflopende alpenwei was ik nog niet gekomen. Dat was zelfs voor een stramme hark als ik een makkie: ski’s met de voorste punten tegen elkaar en achteraan breed laten uitwaaieren. Dan een beetje achteroverleunen tot je in beweging komt. En beneden aan de alpenwei weer voorover leunen en die stokken in de grond planten. Klaar!

 

Teneinde de skivaardigheden van de groep naar ongekende hoogten te stuwen, werd een monitor aangesproken die elke voormiddag zijn kennis en kunde met ons zou delen. ‘Wééral les’, dacht ik, ‘en dat tijdens de krokusvakantie!’ Mijn enthousiasme lag dicht bij het nulpunt, - net als de buitentemperatuur op die berg overigens.

In de lobby van het hotel werden we opgewacht door een kerel van dertig met gitzwart haar en een diepbruin gebronsd gezicht. Ik dacht eerst dat het een Napolitaanse visser was, hoewel die zich eerder tooien in een morsig t-shirt en een zwarte broek. Deze kerel had een soort kermispak aan: een overall met fluogele en helrode strepen. Het soort tenue dat je aantrekt wanneer je te voet een brede autosnelweg over moet steken of wanneer je op een kartcircuit moet toezien op het vlotte verloop.

 

Het vissertje troonde ons mee naar de télécabines. Die kende ik, want die leidden naar mijn alpenwei. Maar dat was slechts een tussenhalte. ‘On monte les téléseiges’, sprak het vissertje en hij wees naar een soort banken aan een stalen kabel die in het lage wolkendek verdween. Ik dacht dat hij een grapje maakte. “We gaan toch niet onnozel doen, hé!” probeerde ik het gezelschap van de zinloosheid van deze expeditie te overtuigen, maar iedereen keek me met nauwelijks onderdrukte meewarigheid aan. Je kan met zo’n dikke wollen muts en een skibril veel verbergen, maar niet dat je iemand maar een lulletje rozenwater vindt.

 

Zonder al te veel stennis en vertraging te veroorzaken, slaagde ik erin mij te laten opscheppen door een aanstormende zitbank en vervolgens min of meer ongehavend overeind te gaan zitten. Door het manoeuvre was mijn muts scheef over mijn ogen gezakt en dat was maar goed ook: de gevaarlijk steile hellingen en de diepe ravijnen werden mij grotendeels bespaard. Een paar honderd meter hoger werd ik bijna automatisch uit de zetel geflikkerd en ik wist niet beter dan dat ik opnieuw op een enigszins aflopende alpenwei terechtgekomen was. Er stond zelfs een blokhut waar je iets kon drinken. Maar daar hadden we nu geen tijd voor, want vissertje was een dure vogel die zich per uur liet betalen en dus moest het een beetje vooruit gaan.

      

In de groep werd een soort pikorde vastgelegd. Achteraan kwamen de ervaren skiërs die voorheen beroepssporter waren geweest. Daarvoor mijn beide ouders, die met sport weinig uitstaans hebben, maar reeds ettelijke keren met succes en zonder averij steile bergen waren afgedaald. Daarvoor mijn 2 jaar jongere zusje, even (on)ervaren in het skiën als ik maar toen een onbesuisde waaghals die alles in mijn plaats durfde. Ikzelf kwam op de eerste rij van het klasje terecht, oog in oog met het vissertje. Had hij gezien dat ik een stramme hark, een angsthaas en een onhandige kluns ben of had iemand hem dat op een onbewaakt moment in het oor gefluisterd? Dat zou ik later die week nog wel achterhalen…

 

We ‘wandelden’ van de blokhut en de stoeltjeslift weg. Ik probeerde met de punten van mijn ski’s een zo mooi mogelijke hoek te maken. “Hier zou Euclides trots op zijn!”, dacht ik, terwijl ik aan een gezapig gangetje het spoor van het vissertje probeerde te volgen. “En parallèle!”, hoorde ik hem roepen, “Stof, on fait la descente en parallèle!” Het Frans dat ik tot dan toe op het Sint-Amandscollege had geleerd was duidelijk een ander soort Frans dan het Frans dat hier gesproken werd. Ik begreep niet wat dat vissertje van mijn wou en antwoordde geruststellend “Oui, oui!”.

Swooooossshhhh…. Met een grote zig en een nog grotere zag kwam mijn moeder langszij.

“Je moet zigzaggen!”

“Huh?”

“Je moet zigzaggen. En je heupen telkens de andere kant laten uitslaan.”

“Zo?” Ik maakte een wat vreemd gebaar dat niet zou hebben misstaan in een serail.

“Néén! Je heupen niet van voor naar achter, maar van links naar rechts! En je ski’s bij elkaar houden!”

Ik bracht mijn ski’s tegen elkaar en schoot plots met een rotvaart recht vooruit. Ik hoorde de sneeuw knerpen, een gedaver trok door mijn hele onderlijf. Rechts van mij zag ik de fluostrepen van het vissertje voorbijflitsen, links van mij waren allerhande kleurrijke stippen die steeds verder van me weg gingen. En voor mij….godverdegodver…wat is dat? Hier was helemaal geen alpenwei! Hier was niks! Een gapende leegte! Iemand had de alpenwei vertikaal gehangen!

 

Met een smak kwam ik tot stilstand. Enigszins versuft keek ik om me heen. Waar was ik? Wat lag ik hier in de sneeuw te doen? Waarom had ik geen ski’s meegenomen voor deze tocht? Enkele tellen later kwamen moeder, vader en het rest van het gezelschap hijgend tot stilstand. Het vissertje was ondertussen op zoek naar mijn ski’s en mijn skistokken, ik naar een manier om aan de rest van deze strafexpeditie te kunnen ontkomen.

“Je mag nóóit rechtdoor naar beneden skiën!”

“Jamaar, ik weet niet nog niet goed hoe ik moet draaien…”

“Je moet je gewicht gebruiken om je snelheid te doseren!”

Het sportadvies was ongetwijfeld goed bedoeld, maar ik liet het achteloos aan mij voorbijgaan.

 

Daar kwam het vissertje tevoorschijn van tussen bergen sneeuw en nevelslierten. Triomfantelijk zwaaide hij met mij ski’s en mijn skistokken. Quasi ongeïnteresseerd nam ik de skistokken aan met een mat ‘Merci! Les skis sont pour vous…’ Ik sloeg de sneeuw van mijn bips, nam mijn skistokken stevig vast en wandelde met zevenmijlsstappen de berg af, de blik strak op mijn doel gericht: het dal, het dorp, het hotel, een knusse veranda… Bij elke stap schoot ik anderhalve meter door, maar het kon me niks meer schelen. Ik had een missie: zo snel mogelijk warm en droog en zonder gedoe.

 

Beneden in het dal stonden de mensen enigszins verbaasd te kijken naar het kleurrijke stipje dat zich tegen de flank had afgetekend en vervolgens steeds groter was geworden. Na enkele minuten had een bergeling met een scherpe blik een menselijke gestalte ontwaard. Langzaam werd het beeld scherper. Een mens… Een knaap… Zonder ski’s… Die zomaar de berg af komt gewandeld… “Tout va bien, mon petit?”, vroeg hij toen de wederzijdse verbazing enigszins weggeëbd was. “Oui, oui”, stamelde ik voor de tweede keer die dag, “mais je n’aime pas le ski très vertical…”

12:34 Gepost door Stof in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.